Aristeia Omdat de werkelijkheid te denken geeft

Het lijden dat ons leidt, leidt tot vergelden

Af te luisteren via: iTunes - Aristeia

Het liefst zou ik hier wat concrete voorbeelden geven uit kranten van de afgelopen twee weken, maar dan loop ik het risico dat je niet meer verder leest, omdat ik dat wat vanzelfsprekend is aan de kaak stel. Ook kan ik voorbeelden geven aan de hand van de vele romans die in aanzienlijke hoeveelheden verkocht worden, maar dan neem je me wellicht niet serieus omdat een roman toch geen goed voorbeeld is omdat het fictie is. Ik wil het namelijk hebben over wraak en vergelding. Zijn wraak en vergelding goede of juiste motieven voor het handelen? Wordt een mens er beter van wanneer hij reageert in woede op een ander? Welk spreekwoord is een betere richtlijn ‘oog om oog, tand om tand’ of ‘iemand de andere wang toekeren’?
Wanneer deze twee spreekwoorden zo naast elkaar staan, dan zal menigeen er toe neigen om de voorkeur te geven aan de tweede: iemand de andere wang toekeren. Wanneer je echter de commentaren in de kranten en op internet leest omtrent de veroordeling van Demjanjuk of de dood van Osama Bin Laden dan lijkt het principe ‘oog om oog, tand om tand’ hoogtij te vieren. In heel wat romans is wraak het leidende principe voor de hoofdpersoon van het boek. En niet zelden voelt de lezer sympathie voor de wraaknemer.

Is de straf die iemand van de rechter krijgt een daad van vergelding, een terechtwijzing of een lichtend voorbeeld om onrecht in de toekomst te voorkomen? Waartoe straft een rechter? Vaak gaat een straf gepaard met een vergoeding van de financieel geleden schade van een slachtoffer; het vergelden van de schade. Steeds vaker wordt ook emotionele schade te gelde gemaakt. Is dit iets te gelden maken of is hier sprake van vergelding in die andere betekenis van het woord, namelijk wraak. Niet zelden klinkt wraak door als argument voor opsluiting: ‘het slachtoffer lijdt ook zijn hele leven, dan mag de dader dat ook doen’. Wraak en vergelding als motief, en als we het dan zelf niet kunnen uitvoeren, dan dient de rechtelijke macht dit van het individu over te nemen. De rechter is bevoegd om aan te zetten tot geweld, wat we dan legitiem geweld noemen.

De rechterlijke macht is, zo valt o.a. bij Locke te lezen, in het leven geroepen om de oorlogssituatie tussen mensen op te heffen. De rechtelijke macht draagt bij aan een rechtvaardige samenleving waarin het recht er voor zorgt dat mensen gelijk zijn en waarin niet het recht van de sterkste geldt. Wanneer een mens onrecht wordt aangedaan (door de staat of door een andere burger) dan kan hij via de rechter zijn recht halen, waarbij die ander terecht gewezen wordt en financiële schade hersteld dient te worden. Hiermee heeft deze constructie alleen maar zeggenschap over zaken waarin het recht gemoeid is. Het recht gaat niet over de normale sociale omgang tussen mensen, een setting waarin heel wat mensen zich in hun eer aangetast voelen omdat ze zich genegeerd, gekrenkt, of weet ik wat niet meer voelen. Sociale omgangsvormen, goed fatsoen, goede manieren en etiquette stroomlijnen deze omgang tussen mensen. Maar wat als het hier aan schort (moedwillig of per ongeluk), wat rest ons dan? Incasseren, iemand de andere wang toekeren, van je afbijten of toch de vergeldingsdrang zijn werk laten doen en terugslaan?

Vreedzaam samenleven wordt vaak geassocieerd met ‘iemand de andere wang toekeren’ alleen zo kan de cyclus van vergelding verbroken worden. Er zullen daarbij weinig mensen zijn die vinden dat je niet voor jezelf mag opkomen, dat je niet van jezelf af mag bijten wanneer je je in je eer aangetast voelt en die vinden dat het verstandig is om over je heen te laten lopen. Maar of trots en eer een goed leidmotief zijn? We gruwen van eerwraak. We oefenen onszelf met uitspraken als ‘die lompheid van de ander zegt iets over de ander, niet over mij’ en een potje met vet is maar wat handig om de ander geen grip te laten krijgen, zeker wanneer de ander ons negeert of kwetst.

Vaak is de andere wang toekeren gelijk aan slikken en incasseren, maar de eer is wel aangetast. En als we dit maar genoeg doen, dan wordt het potje dat vraagt om genoegdoening alleen maar voller. Dit lijden toont wellicht de kern van het leidend fenomeen, veel meer dan dat de begeerte en de wraak dat doen. De lijdende mens moet iets met zijn leed, hij kan het weg-eten met behulp van een bak ijs, via de aanschaf van allerlei producten zichzelf even een goed gevoel geven, of hij kan het leed toewijzen aan een veroorzaker die er dan voor moet boeten (ook moet lijden).

Dit kan ook anders, de andere wang toekeren kan namelijk ook een daad van eer zijn, of zoals Nietzsche het formuleert: ‘de rijkdom van een mens is af te meten aan zijn vermogen de schade die een ander hem toebrengt te dragen zonder te lijden’. Dit begint wellicht in het even van je afbijten. Het gaat dan niet om vergelding omdat het niet gericht is op het toebrengen van leed of gelde maken van het eigen leed. Het is gewoon even zeggen - en soms wat lomp - ‘ik ben er ook nog’ waarna het leed geleden is.
De andere wang toekeren, en uiteindelijk de vergeving zijn daden van eer en trots wanneer ze voortkomen uit de rijkdom, rustend op een stuk eigenwaarde, waar iemand best aan kan tornen en wat eenvoudig kan worden rechtgezet, waar geen leed bij geleden wordt. Hierbij ontstaat begrip voor het feit dat de ander even meer van zichzelf houdt dan van de mensen in zijn omgeving. Deze gedachte is eenvoudig te dragen, heel wat eenvoudiger dan een potje vol met leed waar een ander voor moet boeten.

http://youtu.be/QBZ2zuVoMpM

We plaatsen cookies, zo min mogelijk en altijd anoniem.