Aristeia Omdat de werkelijkheid te denken geeft

Druk doet leven

Druk doet leven

De afgelopen weken bevond ik mij in twee werelden, twee uitersten: de stad en het buiten. Wanneer ik zou spreken over het platte land, dan zou ik weinig recht doen aan alle heuvels die ik in het buiten aantrof. En deze heuvels zijn van dusdanig belang dat ik het zeker niet over het platteland zou willen hebben, omdat de druivenstokken toch zeer belangrijk zijn om het bestaan vorm te geven. Mijn beleving was zeer bijzonder aangezien de stad - doorgaans gekenmerkt door een hectisch en druk bestaan, grote hoogte verschillen door de gebouwen, ver kijken is uitgesloten - voor mij vooral gekenmerkt werd door de rust van de bibliotheek waar ik uren heb doorgebracht. In het buiten was de noeste arbeid zichtbaar in de gestapelde net gevulde flessen - duizenden, ver je kijken kunt, kelder na kelder. De flessen liggen en de druk in de flessen neemt toe. Haar bruisende inhoud krijgt vorm. Duizenden flessen in kelders, allen met de hand gestapeld. Dat toont geen rust! De stof had zich nog niet kunnen nestelen. Net zoals het niet van rust getuigt wanneer de druiven moeten worden geoogst, wanneer iedere helpende hand welkom is en al het andere vervelend. De druk op de fles staat symbool voor de druk bij de productie. Is de drukte van de stad te symboliseren aan de hand van het ontsnappen van het koolzuur en de opkomende belletjes bij het openen van de fles. Veel van hetzelfde op een en dezelfde plaats?

De stad heeft een eigen ritme, twee dagen per jaar zijn de winkels dicht, maar al het andere draait altijd door. Veel mensen samen op een kleine plek, waarbij - in de ochtend en de avondspits - de verplaatsing centraal staat. Via de stad wordt van de ene naar de andere kant bewogen, en vele bewegen tegen elkaar in, andere gaan met de stroom mee. Welke stroom? Tijdens de lunch komt iedereen weer naar buiten. Dan is er geen sprake van een grote verplaatsing, de zoektocht naar eten en dan weer terug. Niet te lang wegblijven want de afspraken, klanten, collega’s en deadlines wachten. Of beter: deze wachten niet!

De stad heeft ook zijn vertier-zoekers, vaak zonder haast, maar wel op dezelfde plek. De verzamelwoede van de mens viert hoogtij: winkel in, winkel uit, elk tekort wordt voorkomen en met de nodige reserves aangevuld. En alles is altijd verkrijgbaar; vier seizoenen lang aardbeien, frambozen, winterwortelen en appels. Van alle kanten worden ze ingevlogen en gereden. De stadsmens mag niets ontberen. Alles wordt gemaakt, alles is het resultaat van mensenhanden. Ook de deadlines, ook de klanten!

Het heuvellandschap, ogenschijnlijk rustig, de eerste blaadjes tonen hun groen aan de druivenstokken, de knopjes staan op barsten. Na de stapeling van de duizenden flessen, is het wachten, zo lijkt het het. Maar het land dicteert, de flessen gedraaid, de labels gemaakt en geplakt. De kelder moet weer leeg, niet met de flessen van dit jaar, maar wel die van drie, vier jaar geleden, ruimte maken voor de volgende serie flessen, die zich al weer aandient via het ontluiken van de knoppen. Het hele leven wordt gedicteerd door de seizoenen en de zorg voor de ranken en de bruisende drank. De planten vragen een heel jaar aandacht en zorg, nurturing voor het beste resultaat. In het najaar moet er verzameld worden, vele druiven! Dit verzamelen is geen lekker ontspannen rondwandelen, maar een race tegen de gisting. Heel de lucht is zwoel, dronkenschap zonder te drinken. De rust van de stad en de drukte van het land, of is het nu juist andersom? Zou de stad, waar alles voorhanden is, niet beter moeten weten? Die drukte hoeft niet, we leggen hem louter zelf op, bepalen onze eigen deadlines, en alles wat we nodig hebben is voorhanden. Wat bepaalt de druk en wat de rust? Hoe groot is de druk binnen een volledig zelf gecreëerde context?

Hoe groot is de druk als de zon brand en de druiven gisten? De wegen zijn leeg of vol? Maar wat zegt dat over de drukte van de mens? Over zijn bezig zijn? De bibliotheek is een oase van rust in een stad die altijd vol met mensen is. De stad waar altijd geluid is, ook het geluid van vogels en het ruizen van de wind, tenminste als dit niet wordt overstemt door het loeien van de sirenes. Gek genoeg een bijzonder vertrouwd geluid voor een stadskind. Ook in de bibliotheek wordt gewerkt, of beter gestudeerd. De luxe die een mens zich kan permitteren als zijn dagelijks bestaan is veilig gesteld, als er geen nood meer is aan verzamelen, omdat alles verzorgd is, omdat er geen nood is aan eten, omdat de stad alles in de verkoop heeft, vier seizoenen per jaar, ongeacht de condities op het land. Het studeren creëert wel ware onrust en paniek in het hoofd, de altijd voortgaande studie vertelt keer op keer dat het anders is en anders kan, dan tot nu toe gedacht. De gedrevenheid om nog meer te studeren, nog meer te onderzoeken, nog dieper op de materie in te gaan. Toch weer die onrust, los van de seizoenen, los van de dagelijkse druk om te bestaan. In een oase van rust, waar de mens sluipend en zwijgend voortgaat.

We zijn fictie(f) geworden

De fictie is doorgedrongen tot onze dagelijkse activiteiten, ja zelfs tot ons zelf. We zijn fictie(f) geworden.

Walter Benjamin schrijft in zijn essay over kunst en reproduceerbaarheid over de bijzondere wereld van de film. Ik zou dat uitleggen als een gecreëerde situatie die gecreëerd wordt. Je zou kunnen zeggen dat hij drie vormen van werkelijkheid beschrijft; de eerste is ons dagelijks leven, de tweede is het theater en de derde is de film. In het theater wordt een stuk, van begin tot einde opgevoerd. Dat we hier ook buiten de ‘geijkte’ speeltijd’ voor de gek worden gehouden toont het werk van J.T. Schippers, waarin ook voor het stuk en tijdens de pauze nog wat voorbij komt wat zijn weerslag heeft op het gespeelde stuk. Het spel wordt bespeeld. In de film wordt een complete setting gecreëerd en ook nog eens geëdit. Het stuk wordt niet van voor tot achter opgenomen, maar gewoon zoals het praktisch goed uitkomt. En tegenwoordig komt daar ook nog eens heel wat techniek bij kijken. Zo kun je naar een film kijken die geschikt is voor zestien jaar en ouder, terwijl hier gewoon tienjarigen in meespelen. Kennelijk is de opname setting niet zo bedreigend als het eindresultaat.

De filmregisseur bepaalt volledig het beeld dat wij te zien krijgen. Er ontstaat een vervreemding tussen zender en ontvanger. Beeld en kijker zijn niet meer direct met elkaar verweven, maar er wordt door een derde bemiddeld. Deze bemiddelaar is zelf ook niet zichtbaar en voor de kijker als persoon doorgaans onbekend. Nu zul je wellicht denken ‘waarom breng je dit op, dat is toch niet zo erg?’. Ook ik heb hier geen moeite mee, zeker niet wanneer ik naar een film van Harry Potter of Pirates of the Caribbean kijk, de fictie druipt hier van af. Maar hetzelfde gebeurt, wanneer we naar de televisie kijken, ook bij programma’s die niet als fictie worden voorgesteld. Ook dan wordt het gefilmde gemonteerd en geregisseerd. Niet voor niets maken we een onderscheidt tussen live en een reportage. En bij een live-reportage zijn vaak meerdere camera’s aanwezig en wordt het uitgezonden beeld bepaald door een regisseur. Hoe zo zelf bepalen wat je kunt en wilt zien?

Nadenkend over deze bemiddeling dan lijkt onze volledige wereld bemiddeld, met uitzondering van het directe contact dat we zelf hebben met de mensen in onze directe omgeving. Kranten, jaarcijfers, doelstellingen, politieke belangen, televisieprogramma’s alles wordt bemiddelt. Dit zegt natuurlijk iets over de inhoud die we te zien krijgen. Je zou kunnen zeggen dat deze via manipulatie bij de kijker, de lezer, de burger en de gebruiker terecht komt. We kunnen dus vragen stellen bij dat wat ons wordt voorgeschoteld, namelijk hoe werkelijk is dit? Is deze reportage werkelijker dan een Harry Potter film. Zijn deze resultaten werkelijk of gewoon fictie? Ieder beeld en iedere tekst zegt wellicht meer over de regisseur, redacteur, belangenorganisatie, filosoof of docent die het ter tafel brengt. Maar de boodschapper kennen we doorgaans niet, zeker niet persoonlijk. We worden alleen geconfronteerd met het product dat zij neer zetten. En de wereld waar dit product een indirecte afgeleide van is, blijft doorgaans ongekend. Mens en wereld staan via bemiddeling tot relatie tot elkaar. En ook het bemiddelde zelf is ooit eerder bemiddeld.

Naast deze constant aanwezige fictieve wereld wil ik een andere consequentie aan het licht brengen. Dit hele proces zorgt namelijk ook voor een verding-lijking van de mens. Iedere mens wordt beschouwd als een kijker, lezer, gelovige (of juist ongelovige), belanghebbende, en ga zo maar door. De mens moet overtuigd worden, voorgelicht worden, geamuseerd worden en om dit te realiseren wordt er nagedacht over cruciale facturen die het succes hiertoe beïnvloeden. We zijn het ondertussen wel gewend dat we tot een marktsegment of doelgroep behoren wanneer het kleding of andere consumentenartikelen betreft. Maar ook in onze werkomgeving, de berichtgeving omtrent de wereld, of de wetenschap zijn wij verworden tot een ding dat specifieke informatie moet eigen maken, dan wel onderzocht moet worden. Psychologie en sociologie zijn mooie wetenschappen die het succes en dus het proces van verding-lijking ondersteunen. Maar ook in de medische sector zijn we een ding, namelijk een drager van een specifieke aandoening, waarbij de arts zich buigt over de aandoening. De relatie tussen mens en arts wordt bemiddeld via de aandoening. De mens wordt enerzijds een ding van onderzoek, en anderzijds een ding van voorlichting. De continue bemiddeling van alles wat er zich in de wereld voordoet, maakt ons tot een ding waardoor we als individu verdwijnen. De mogelijkheid tot zelf nadenken en zelf waarnemen wordt door de continue bemiddeling onmogelijk gemaakt. We leven niet alleen in een fictieve wereld, we zijn ook zelf fictief geworden. Niet alleen voor de ander, maar ook voor onszelf omdat we ons o.a. bezig houden met zelfreflectie, zelfonderzoek en persoonlijke ontwikkeling.

Eigen zaken of de ander

Bemoei je met je eigen zaken of met de ander

Erasmus beschrijft in zijn Lof der Zotheid het menselijk bestaan als ware het een theater, waarin we vele rollen spelen en regelmatig van decor wisselen. Vaak gaat dit ongemerkt en voelen we ons op vele plekken op onze plaats. Huizinga stelt dat onze cultuur voortkomt uit spel, waarbij dat spel langzaam tot geloof, tot waarheid geworden is: zo doe je dat! En ook het succes van een spel valt of staat met de rol die spelers aannemen. En uiteraard: dat je je aan de regels houdt. De rechtspraktijk toont nog duidelijk de regels van het spel en hou je je niet aan de regels dan krijg je straf of je mag je (tijdelijk) niet meer meespelen.

Nu kun je je natuurlijk afvragen hoe natuurlijk zo’n (toneel)spel is? Of dit niet strijdig is met het zijn van de mens? Of in hoeverre de eigen persoon verdwijnt in de rollen die hij aanneemt? Misschien is het juist heel eigen aan de mens dat hij rollen speelt? En wordt hij door zijn rollen een mens? Sommige mensen spelen de rollen zeer plichtsgetrouw, anderen zoeken juist de grenzen van hun rol op en natuurlijk is er ook nog de mogelijkheid om je hier expliciet tegen af te zetten, en dus iets totaal anders te doen dan de rol voorschrijft. Deze drie vormen van gedrag worden duidelijk bepaald door de rol of het spel dat er gespeeld wordt.

Sommige mensen hebben het helemaal niet in de gaten, en vinden het beeld van Erasmus maar flauwekul. Hebben ze eenmaal nagedacht over het beeld, dan lukt het niet meer om de wereld niet als zodanig te bekijken. Wie weet wordt je door het lezen van deze stelling wel uit een droom gewekt of juist in een droomwereld gebracht? En wil je toekijken of meespelen?

Stel je nu eens voor dat iemand on-stage tijdelijk een andere rol aanneemt dan het script voorschrijft, dan zijn de tegenspelers (of zijn het medespelers?) al gauw uit hun evenwicht gebracht. De spelers gaan twijfelen aan zichzelf ‘oh... ik weet het niet meer’ of worden boos op de ander ‘waarom hou je je niet aan je rol?’. Gelukkig kun je in het theater, aan de hand van het script bepalen wie ‘van het padje af is’. In het dagelijks leven, werk, familie, vereniging, etcetera is dit vaak veel moeilijker te bepalen. We spreken dan over een communicatiestoornis, over een conflict, of over het ontduiken van verantwoordelijkheden. Plato pleitte, bij monde van Socrates, voor de algemene houding ‘bemoei je met je eigen zaken’. Dit klinkt in onze tijd erg negatief en ook wel asociaal, toch was het voor hem heel positief en sociaal. Zodra je je met de verantwoordelijkheden van een ander gaat bemoeien of je je eigen verantwoordelijkheden bij een ander neerlegt ontstaan er problemen. En dit zijn problemen die niet nodig zijn. Dit vraagt wel om autonome en redelijke mensen en niet om mensen die slaaf zijn van hun wil of hun emoties. Zonder de rede kun je niet weten wat je eigen zaken zijn.

Hier zo over nadenkend, over taken, rollen, verwachtingen en verantwoordelijkheden krijg ik toch de indruk dat dit een zekere afstand inbouwt tussen mens en de wereld. Onbevangen de wereld betreden is dan uitgesloten. Constant moet er nagedacht worden over hoe het moet. En als ik de ander aankijk dan vergaat mij het denken. Ik kan pas weer gaan nadenken wanneer ik afstand neem tot de ander. Buber noemt de eerste manier van in de wereld staan ik-het en de tweede ik-jij. Constant nadenken over rollen, taken en verantwoordelijkheden is nadenken over de wereld, de ander en jezelf als een Het: het onveranderde constante en definieerbare zijn. Ik-jij beleven is ín de veranderende wereld staan en de wereld en de ander ontmoeten. Wanneer mensen elkaar tegenkomen in een ik-het wereld, en beide spelen daarbij een passende rol, dan is dit een mooi, soepel en voorspelbaar spel: het theater. Wanneer twee mensen elkaar ontmoeten als ik-jij dan zal er iets nieuws ontstaan, ze hebben dan aandacht voor de ander, meer nog dan ieder voor zichzelf. Maar wat als ik-het en ik-jij bij elkaar komen?

We plaatsen cookies, zo min mogelijk en altijd anoniem.