Aristeia Omdat de werkelijkheid te denken geeft

De draaimolen of ontwikkeling


Zou je zo vriendelijk willen zijn om onze vragenlijst even in te vullen?

Het belangrijkste: hebben of zijn?

In mijn kleine blauw kamertje, ook wel mijn monnikencel, ben ik naarstig op zoek naar een thema voor de stelling van februari. Het zoeken in mijn hoofd is niet hetzelfde als een zoeken in de ruimte. In mijn hoofd staan de gedachten niet netjes naast elkaar, zoals de boeken op mijn plank. Sterker nog, mijn hoofd is eerder te vergelijken met een kamertje waarin iemand zonder schroom alles door elkaar heeft gegooid. Mijn hoofd zit vol met de inhoudelijke programma’s van de afgelopen week en die nog komen gaan, filosofische ideeën en boeiende embryonale essays. Het snelle heen en weer schieten van mijn gedachten benadert een volkomen leegheid. Dit is niet zo’n praktische start voor een stelling van de maand.

In mijn hoofd danst ook het beeld van een draaiende draaimolen met daarin een kind. Een beeld naar een korte tekst van Walter Benjamin. Een beeld dat ik associeer met weggaan en terugkomen. Nieuwe werelden ontdekken, het vertrouwde verlaten en weer thuis komen. Gek genoeg is thuis dan nooit meer hetzelfde. De reis heeft mij en daarmee mijn thuis veranderd. Veel van mijn reizen zijn filosofische reizen en mijn reisgebied is mijn kleine blauwe kamertje. Dit is tegelijk ook mijn thuis. Ook de draaimolen blijft staan waar die staat. Alleen het kind draait rond en uiteindelijk komt het niet van zijn plaats.

Hiermee is de draaimolen een prachtige metafoor voor een niet-ontwikkelende mens. Menselijke ontwikkeling is een centraal thema in de idee, of beter: de leer van Walter Benjamin. Ontwikkeling is dan niet het vergaren van kennis, ze is het zoeken naar het ware. In een wereld die gekenmerkt wordt door kennis en vooruitgang lijkt de mens in een draaimolen te zitten. Hij wordt voortbewogen door de waan van dag en zo nu en dan wisselt hij zijn vervoersmiddel en zijn leefomgeving; hij gaat van de vis, naar het paard, naar het varken, naar het rijtuig, van het water naar het bos, naar de boerderij, naar de stad. De omgeving verandert, de middelen van bestaan groeien, we worden almaar ouder, ons bezit neemt toe. Van alles verandert, maar de mens draait eeuwig rond.

Natuurlijk, we hebben het veel beter dan onze voorouders, maar zijn wij ook beter dan onze voorouders? Wat is belangrijker: hebben of zijn? Moeten onze kinderen het beter hebben of moeten ze een beter mens zijn? Is ons een-leven-lang-leren gericht op hebben of op zijn? Het lijkt erop dat ik nu speel met twee woorden, namelijk ‘hebben’ en ‘zijn’. Dit lijkt eerder verwarring te zaaien, dan duidelijkheid te scheppen. Ik zal dit dus proberen toe te lichten.

Doorgaans beschikken wij over heel wat kennis en vaardigheden, dit is een hebben. Onze scholing is hierop gericht. Centraal staat het verwerven van kennis en vaardigheden en menig curriculum zegt in een speciale paragraaf dat ook de persoonlijke ontwikkeling aandacht moet krijgen. Curricula lijken op verzamelingen, als het verzamelen van boeken en gereedschap om het dagelijks, al dan niet arbeidzame leven vorm te geven, en graag met een bij-effect: persoonlijke ontwikkeling. En natuurlijk, zonder veel van deze kennis en vaardigheden kunnen we niets. Ons bezit, ons hebben is heel praktisch. Zo kun je je afvragen of je nog kunt leven zonder de vaardigheid je te begeven op het internet. En dan natuurlijk vakkennis, voor iedere mens een andere specialisatie, maar ieder beroep lijkt toch wel sterk op een van de vele voertuigen in de draaimolen. We leren een vak, worden we daar een beter mens van?

Al deze vaardigheden zeggen nog niets over de berijder; de mens die in de wereld staat en die zijn bezit gebruikt. De berijder komt even voorbij in die afzonderlijke paragraaf. Hier is geen plan voor gemaakt, hierbij staat geen voorgeschreven literatuur, hier is geen leerweg voor. We laten het effect aan het moment over. Onze leertijd bestaat niet uit een persoonlijke ontwikkeling met als middel tot bestaan een vak. Kun je wel leren om een beter mens te zijn? Wat zijn de vaardigheden van een beter mens? Gek genoeg spreken we dan niet over vaardigheden, maar over eigenschappen of over deugden. Plato noemt deze laatste het fundament van een mens en dit wordt gevormd door vier deugden: wijsheid, moed, bezonnenheid en rechtvaardigheid. Wanneer heeft u deze voor het laatst geoefend? Aristoteles spreekt over voortreffelijkheid. Walter Benjamin spreekt over intentie-lagen. Alle drie spreken ze over de ontwikkeling van een mens tot een goede mens, of wellicht: een betere mens.

Een beschrijving van je bestaan, het antwoord op de vraag ‘vertel eens iets over je zelf?’ bevat vaak de dieren waar we op gezeten hebben, en nog zitten in de draaimolen, en het tempo waarmee de draaimolen draait. Het lijkt erop dat we ons mens-zijn verwarren met groei van allerlei materiële zaken, waaronder zaken als kennis, vaardigheden en maatschappelijke functies. We hebben het hebben boven het zijn geplaatst. Raar is dat niet, de ‘h’ komt immers voor de ‘z’ in het alfabet, we hebben dus gewoon het boek nog niet uit. Maar misschien moeten we op het boek gaan staan, zodat we een beetje groter kunnen zijn.

Weten en vertrouwen

Daar waar kennis ontbreekt is alleen ruimte voor vertrouwen.

De laatste weken is er weer heel wat te doen over de betrouwbaarheid van artsen en overheid in het kader van medische aangelegenheden. Of het nu gaat over de griepprik of de behandelmethoden, al gauw wordt er gesteld dat de betrouwbaarheid te wensen over laat omdat er sprake is van eenzijdige berichtgeving, belangenverstrengeling of gebrekkig onderzoek. Alle berichtgeving is er op gericht om te vertrouwen dan wel te wantrouwen. In beide gevallen moet de berichtgever betrouwbaar zijn wil ik zijn bericht vertrouwen. Het gaat dus om het vertrouwen van de deskundige dan wel het vertrouwen van een leek die stelt dat de deskundige niet te vertrouwen is.

Vertrouwen en betrouwbaarheid staan tegenover kennis en weten. Waar weten of kennis ontbreekt, ontstaat het vertrouwen. Vertrouwen is niet gebaseerd op waarheid en waarheidsvinding maar op ‘het zou wel eens waar kunnen zijn’ en dus op geloven. Het tonen van wetenschappelijk onderzoek (aantonen van waarheid) werkt daarbij eerder contraproductief. Wetenschappelijk onderzoek veronderstelt dat de persoon de nodige kennis heeft om het onderzoek te begrijpen en op zijn merites te beoordelen. Onderzoek veronderstelt kennis, niet geloof. Bij het verstrekken van onderzoek willen we niet dat iemand vertrouwt maar dat hij wetend is en wordt. Sturen op kennis en waarheid leidt dan niet tot vertrouwen, maar tot kennis. Als deze kennis niet bereikt wordt dan blijft een wantrouwend persoon achter. Zijn vertrouwen is geschaad omdat hij is miskend.

Misschien gaat dit laatste iets te snel, een voorbeeld: Als filosoof weet ik niet zo veel van auto’s. Ik ben dus volledig aangewezen op het vertrouwen dat ik heb in mijn monteur. Wanneer hij mij tot in detail gaat uitleggen hoe hij zijn werk doet en waarom dan acht ik de kans groot dat ik hem niet begrijp. Dit niet begrijpen zet aan tot vragen “wat bedoel je hier mee, en wat houdt dat in?” en dat leidt tot wantrouwen, zeker wanneer dit de zaak niet verduidelijkt. Hij vertelt allerlei zaken die ik niet begrijp, en waar ik met mijn verstand niet bij kan en waar ik bovendien niet in geïnteresseerd ben. Hij schat mij verkeerd in (en ik voel me miskend). Het vertrouwen van mij in mijn automonteur slinkt. Zou ik nu niet alleen filosoof zijn, maar ook nog olie in mijn bloed hebben en dus alles van auto’s weten, dan zou ik mijn monteur niet hoeven te vertrouwen, ik weet namelijk dat hij de goede dingen doet; we kunnen hier dan inhoudelijk over praten, onze ideeën uitwisselen, ik kan met hem meekijken en meedenken en we begrijpen.

Daar waar kennis ontbreekt is plaats voor vertrouwen én dus ook voor wantrouwen. En iedere niet-wetende mens neigt tot vertrouwen, niet tot wantrouwen, zeker als hij voor zijn voortbestaan is aangewezen op die ander. Vertrouwen krijgen door kennis te verstrekken werkt averechts. Wat blijft er dan nog over? De geloofwaardigheid! Iemand vertrouwen betekent dat je die ander gelooft. Vertrouwd worden betekent dat die ander mij gelooft. Geloofwaardigheid ligt in de spreker en in de consistentie van zijn verhaal én zijn voorkomen. Een arts die pleit voor de griepprik en vertelt dat dit zonder risico is, daarbij vertelt dat hij deze zelf gehad heeft en zichtbaar ziek is, is niet erg geloofwaardig. Een automonteur die aan klant-binding doet omdat de auto regelmatig onderhoud nodig is, is ook niet betrouwbaar.
Iemand die de integriteit van een arts aan de kaak wil stellen hoeft dus maar te hinten dat de arts niet in het belang van de patiënt handelt en hoeft daarbij alleen maar te wijzen op belangenverstrengeling en eenzijdige berichtgeving (iets wat gezien de huidige medische context, organisatie en teneur helaas niet zo moeilijk is). Het is heel eenvoudig het vertrouwen in een ander te breken, je hoeft zelf alleen maar geloofwaardig over te komen. Je hoeft de ander alleen maar te bevestigen in zijn onwetendheid om twijfel te zaaien.

Welk belang wordt er gediend met het scheppen van wantrouwen? Wie of wat heeft belang bij wantrouwen? Het eigenbelang van de persoon die wantrouwen zaait, het belang van diegene die van vertrouwen overgaat in wantrouwen? Of dient wantrouwen het algemeen belang? Voor de wantrouwende is niets belangrijker dan dit wantrouwen de verspreiden; het wantrouwen van de ander sterkt hem in zijn eigen wantrouwen. Hoe meer mensen wantrouwen hoe juister het wantrouwen is. Een leek die wantrouwt en dit wantrouwen verspreidt is dus het wantrouwen waard. Hoe kan een leek oordelen over de waarheid van een zaak, als hij zelf hier geen kennis van heeft?

Wetenschappelijk onderzoek in de handen van een leek (welke dan ook) leidt tot wantrouwen. Wetenschappelijk onderzoek in handen van vakgenoten moet de toets kunnen doorstaan. Mij rest niets anders (omdat ik onwetend ben) te vertrouwen op mijn wetenden, waaronder mijn arts, mijn automonteur, de slager en ieder ander waar ik afhankelijk van ben. Iemand die dit vertrouwen wil schaden, schaadt niet alleen diegene die ik vertrouw, maar ook mij. Ik heb immers geen ander alternatief dan te vertrouwen, ik kan en zal nooit wetend worden. Het enige alternatief dat ik heb is de persoon die ik ben gaan wantrouwen inruilen voor een ander die ik vertrouw. Hoe meer wantrouwen er gezaaid wordt hoe groter mijn probleem dat ik niet kan oplossen. Met het zaaien van wantrouwen dien je dus hoogstens je eigen belang, misschien het belang van die ander die niet vertrouwt, maar zeker niet het belang van diegene die vertrouwt.

We plaatsen cookies, zo min mogelijk en altijd anoniem.