Aristeia Omdat de werkelijkheid te denken geeft

Weten en vertrouwen

Daar waar kennis ontbreekt is alleen ruimte voor vertrouwen.

De laatste weken is er weer heel wat te doen over de betrouwbaarheid van artsen en overheid in het kader van medische aangelegenheden. Of het nu gaat over de griepprik of de behandelmethoden, al gauw wordt er gesteld dat de betrouwbaarheid te wensen over laat omdat er sprake is van eenzijdige berichtgeving, belangenverstrengeling of gebrekkig onderzoek. Alle berichtgeving is er op gericht om te vertrouwen dan wel te wantrouwen. In beide gevallen moet de berichtgever betrouwbaar zijn wil ik zijn bericht vertrouwen. Het gaat dus om het vertrouwen van de deskundige dan wel het vertrouwen van een leek die stelt dat de deskundige niet te vertrouwen is.

Vertrouwen en betrouwbaarheid staan tegenover kennis en weten. Waar weten of kennis ontbreekt, ontstaat het vertrouwen. Vertrouwen is niet gebaseerd op waarheid en waarheidsvinding maar op ‘het zou wel eens waar kunnen zijn’ en dus op geloven. Het tonen van wetenschappelijk onderzoek (aantonen van waarheid) werkt daarbij eerder contraproductief. Wetenschappelijk onderzoek veronderstelt dat de persoon de nodige kennis heeft om het onderzoek te begrijpen en op zijn merites te beoordelen. Onderzoek veronderstelt kennis, niet geloof. Bij het verstrekken van onderzoek willen we niet dat iemand vertrouwt maar dat hij wetend is en wordt. Sturen op kennis en waarheid leidt dan niet tot vertrouwen, maar tot kennis. Als deze kennis niet bereikt wordt dan blijft een wantrouwend persoon achter. Zijn vertrouwen is geschaad omdat hij is miskend.

Misschien gaat dit laatste iets te snel, een voorbeeld: Als filosoof weet ik niet zo veel van auto’s. Ik ben dus volledig aangewezen op het vertrouwen dat ik heb in mijn monteur. Wanneer hij mij tot in detail gaat uitleggen hoe hij zijn werk doet en waarom dan acht ik de kans groot dat ik hem niet begrijp. Dit niet begrijpen zet aan tot vragen “wat bedoel je hier mee, en wat houdt dat in?” en dat leidt tot wantrouwen, zeker wanneer dit de zaak niet verduidelijkt. Hij vertelt allerlei zaken die ik niet begrijp, en waar ik met mijn verstand niet bij kan en waar ik bovendien niet in geïnteresseerd ben. Hij schat mij verkeerd in (en ik voel me miskend). Het vertrouwen van mij in mijn automonteur slinkt. Zou ik nu niet alleen filosoof zijn, maar ook nog olie in mijn bloed hebben en dus alles van auto’s weten, dan zou ik mijn monteur niet hoeven te vertrouwen, ik weet namelijk dat hij de goede dingen doet; we kunnen hier dan inhoudelijk over praten, onze ideeën uitwisselen, ik kan met hem meekijken en meedenken en we begrijpen.

Daar waar kennis ontbreekt is plaats voor vertrouwen én dus ook voor wantrouwen. En iedere niet-wetende mens neigt tot vertrouwen, niet tot wantrouwen, zeker als hij voor zijn voortbestaan is aangewezen op die ander. Vertrouwen krijgen door kennis te verstrekken werkt averechts. Wat blijft er dan nog over? De geloofwaardigheid! Iemand vertrouwen betekent dat je die ander gelooft. Vertrouwd worden betekent dat die ander mij gelooft. Geloofwaardigheid ligt in de spreker en in de consistentie van zijn verhaal én zijn voorkomen. Een arts die pleit voor de griepprik en vertelt dat dit zonder risico is, daarbij vertelt dat hij deze zelf gehad heeft en zichtbaar ziek is, is niet erg geloofwaardig. Een automonteur die aan klant-binding doet omdat de auto regelmatig onderhoud nodig is, is ook niet betrouwbaar.
Iemand die de integriteit van een arts aan de kaak wil stellen hoeft dus maar te hinten dat de arts niet in het belang van de patiënt handelt en hoeft daarbij alleen maar te wijzen op belangenverstrengeling en eenzijdige berichtgeving (iets wat gezien de huidige medische context, organisatie en teneur helaas niet zo moeilijk is). Het is heel eenvoudig het vertrouwen in een ander te breken, je hoeft zelf alleen maar geloofwaardig over te komen. Je hoeft de ander alleen maar te bevestigen in zijn onwetendheid om twijfel te zaaien.

Welk belang wordt er gediend met het scheppen van wantrouwen? Wie of wat heeft belang bij wantrouwen? Het eigenbelang van de persoon die wantrouwen zaait, het belang van diegene die van vertrouwen overgaat in wantrouwen? Of dient wantrouwen het algemeen belang? Voor de wantrouwende is niets belangrijker dan dit wantrouwen de verspreiden; het wantrouwen van de ander sterkt hem in zijn eigen wantrouwen. Hoe meer mensen wantrouwen hoe juister het wantrouwen is. Een leek die wantrouwt en dit wantrouwen verspreidt is dus het wantrouwen waard. Hoe kan een leek oordelen over de waarheid van een zaak, als hij zelf hier geen kennis van heeft?

Wetenschappelijk onderzoek in de handen van een leek (welke dan ook) leidt tot wantrouwen. Wetenschappelijk onderzoek in handen van vakgenoten moet de toets kunnen doorstaan. Mij rest niets anders (omdat ik onwetend ben) te vertrouwen op mijn wetenden, waaronder mijn arts, mijn automonteur, de slager en ieder ander waar ik afhankelijk van ben. Iemand die dit vertrouwen wil schaden, schaadt niet alleen diegene die ik vertrouw, maar ook mij. Ik heb immers geen ander alternatief dan te vertrouwen, ik kan en zal nooit wetend worden. Het enige alternatief dat ik heb is de persoon die ik ben gaan wantrouwen inruilen voor een ander die ik vertrouw. Hoe meer wantrouwen er gezaaid wordt hoe groter mijn probleem dat ik niet kan oplossen. Met het zaaien van wantrouwen dien je dus hoogstens je eigen belang, misschien het belang van die ander die niet vertrouwt, maar zeker niet het belang van diegene die vertrouwt.

We plaatsen cookies, zo min mogelijk en altijd anoniem.