Aristeia Omdat de werkelijkheid te denken geeft

tijdigheid of eeuwigheid

Hoezo tijdelijkheid, het is altijd nu


Wellicht is de decembermaand de maand waarin we het duidelijkst worden geconfronteerd met het fenomeen tijd. Als Sinterklaas geweest is, dan nadert kerstmis en daarna de jaarwisseling met rasse schreden. De komst van kerstmis tel ik nog altijd af met een adventkalender, vierentwintig hokjes, dagelijks mag er eentje open. Ook het licht wordt dagelijks minder, iets wat bijdraagt aan het gevoel dat de dagen sneller gaan. De verplichte vrije dagen geven december concreet ook minder werkdagen, dus minder tijd om hetzelfde te doen. En dan het summum: oudejaarsdag. Heel de dag staat in het teken van de tijd. De ‘laatste’ seconden tikken weg, en we zijn er allemaal getuigen van dat de klok twaalf slaat (gek genoeg slaat de klok twaalf keer, en niet nul keer: een nieuw begin begint op twaalf). Waarna de minuten weer gewoon verder gaan, maar wij hebben daar geen extra aandacht meer voor.

Wonderlijk, hoe op één dag in het jaar de tijd zo expliciet aanwezig is. Zodanig dat we alles hiervoor uit onze handen laten vallen, het glas heffen en elkaar om de nek vliegen. De nieuwe tijd staat voor het mooie en het goede! Het nieuwe jaar wordt uitbundig gevierd. Eigen verjaardagen, wat toch ook staat voor een nieuw jaar, wordt niet geassocieerd met het mooie en het goede, maar met ouder worden. Er zijn heel wat mensen die dat niet het vieren waard vinden. Overigens geloof ik niet dat deze mensen hun verjaardag graag verruilen met hun begrafenis wat toch een einde betekent van het ouder worden. Alleen de dood stopt de tijd, tenminste voor diegene die sterft. Je zou je kunnen afvragen in hoeverre het eeuwige bekend is met de tijd. Hoewel eeuwigheid als woord het fenomeen tijd veronderstelt, vraag ik met toch af of het eeuwige de tijd kent? In ieder geval heeft het eeuwige alle tijd. En als je alle tijd hebt, is tijd dan nog een issue? Wat doet denken aan een Surinaams gezegde: Jullie hebben een klok, wij hebben de tijd.

Wij hebben al een prachtig eeuwig tijdssysteem. Onze tijdsaanduiding loopt eeuwig door van - (oneindig) naar + . In tegenstelling tot de Romeinse tijd is onze tijd een zelfstandige entiteit, niet gekoppeld aan regeringsjaren of levensduur van de staat. Onze tijd gaat haar eigen weg, ongeacht wat wij als mens doen. Wij leven in het jaar 2009 en niet in het jaar 29 onder het H.M. Koningin Beatrix. Oudejaarsavond zou dan vallen op 29 april. Onze eigen levensjaren zouden dan veel moeilijker te tellen zijn. “Onder welke vorst bent u geboren?” zou dan een heel gewone vraag zijn.

Onze eeuwigheid ligt niet meer in het leven na de dood, maar in ons tijdssysteem. Alleen de tijd is eeuwig, de rest - waaronder onze wereldbol - niet. Onze wereld is ontstaan op een zeker moment in de tijd, en zal ook vergaan op een zeker moment in de tijd. Dit is niet het absolute einde, maar gewoon een gebeurtenis in de tijd, net als alle andere gebeurtenissen in de tijd. Overigens zou je je kunnen afvragen in hoeverre iets, dat miljarden jaren geleden heeft plaatsgevonden, past binnen onze eigen tijdsbeleving. De getallen worden zo groot dat ze zuiver abstract worden en daarmee hun werkelijkheidszins verliezen. Abstractie staat voor dat wat zonder tijd en plaats is. Kunnen wij daar nog wel betekenis aan geven of waarde aan toe kennen?

Deze eeuwig durende tijd heeft ook een ander probleem. Ze stelt namelijk altijd de vraag naar wat ging vooraf en ook wat komt er na. Tijd is onze vooraarde van causaliteit en eeuwigheid. Noodzakelijkheid veronderstelt tijd. De opeenvolging van gebeurtenissen - bijvoorbeeld het botsen van biljard-ballen - kunnen we alleen maar tot causale relatie betitelen doordat we onze herinnering aan het voorgaande tot werkelijkheid maken. Hoeveel vertrouwen heeft u in uw herinneringen wanneer het over uw eigen jeugd gaat. Hoe zeker weet u wat er heeft plaatsgevonden? En kun je zien, wanneer twee biljart-ballen botsen of de beweging van de ene bal de beweging van de ander veroorzaakt. En kun je daaruit afleiden dat dit altijd zo zal zijn? Onze menselijke waarneming is niet door de tijd bepaald. Ze vindt enkel plaats in het heden, zelfs onze herinneringen aan het verleden zijn gedachten in het heden.

Is tijd dan ook niet meer dan een gedachte in het heden. Tijd, herinneringen en verwachtingen voor de toekomst zijn gedachten in het heden. Die niets zeggen over dat wat morgen werkelijk is, de toekomst is ongewis. Maar ja, morgen bestaat niet, alleen nu. Als u op 31 december het glas heft om dit unieke moment te vieren, waarom doet u dat dan nu niet? Is het leven, en het moment, niet altijd (verdorie, weer dat woordje tijd) het vieren waard? Proost! Op het heden! Wij wensen u een prachtig en goed nu toe.

Weten en vertrouwen

Daar waar kennis ontbreekt is alleen ruimte voor vertrouwen.

De laatste weken is er weer heel wat te doen over de betrouwbaarheid van artsen en overheid in het kader van medische aangelegenheden. Of het nu gaat over de griepprik of de behandelmethoden, al gauw wordt er gesteld dat de betrouwbaarheid te wensen over laat omdat er sprake is van eenzijdige berichtgeving, belangenverstrengeling of gebrekkig onderzoek. Alle berichtgeving is er op gericht om te vertrouwen dan wel te wantrouwen. In beide gevallen moet de berichtgever betrouwbaar zijn wil ik zijn bericht vertrouwen. Het gaat dus om het vertrouwen van de deskundige dan wel het vertrouwen van een leek die stelt dat de deskundige niet te vertrouwen is.

Vertrouwen en betrouwbaarheid staan tegenover kennis en weten. Waar weten of kennis ontbreekt, ontstaat het vertrouwen. Vertrouwen is niet gebaseerd op waarheid en waarheidsvinding maar op ‘het zou wel eens waar kunnen zijn’ en dus op geloven. Het tonen van wetenschappelijk onderzoek (aantonen van waarheid) werkt daarbij eerder contraproductief. Wetenschappelijk onderzoek veronderstelt dat de persoon de nodige kennis heeft om het onderzoek te begrijpen en op zijn merites te beoordelen. Onderzoek veronderstelt kennis, niet geloof. Bij het verstrekken van onderzoek willen we niet dat iemand vertrouwt maar dat hij wetend is en wordt. Sturen op kennis en waarheid leidt dan niet tot vertrouwen, maar tot kennis. Als deze kennis niet bereikt wordt dan blijft een wantrouwend persoon achter. Zijn vertrouwen is geschaad omdat hij is miskend.

Misschien gaat dit laatste iets te snel, een voorbeeld: Als filosoof weet ik niet zo veel van auto’s. Ik ben dus volledig aangewezen op het vertrouwen dat ik heb in mijn monteur. Wanneer hij mij tot in detail gaat uitleggen hoe hij zijn werk doet en waarom dan acht ik de kans groot dat ik hem niet begrijp. Dit niet begrijpen zet aan tot vragen “wat bedoel je hier mee, en wat houdt dat in?” en dat leidt tot wantrouwen, zeker wanneer dit de zaak niet verduidelijkt. Hij vertelt allerlei zaken die ik niet begrijp, en waar ik met mijn verstand niet bij kan en waar ik bovendien niet in geïnteresseerd ben. Hij schat mij verkeerd in (en ik voel me miskend). Het vertrouwen van mij in mijn automonteur slinkt. Zou ik nu niet alleen filosoof zijn, maar ook nog olie in mijn bloed hebben en dus alles van auto’s weten, dan zou ik mijn monteur niet hoeven te vertrouwen, ik weet namelijk dat hij de goede dingen doet; we kunnen hier dan inhoudelijk over praten, onze ideeën uitwisselen, ik kan met hem meekijken en meedenken en we begrijpen.

Daar waar kennis ontbreekt is plaats voor vertrouwen én dus ook voor wantrouwen. En iedere niet-wetende mens neigt tot vertrouwen, niet tot wantrouwen, zeker als hij voor zijn voortbestaan is aangewezen op die ander. Vertrouwen krijgen door kennis te verstrekken werkt averechts. Wat blijft er dan nog over? De geloofwaardigheid! Iemand vertrouwen betekent dat je die ander gelooft. Vertrouwd worden betekent dat die ander mij gelooft. Geloofwaardigheid ligt in de spreker en in de consistentie van zijn verhaal én zijn voorkomen. Een arts die pleit voor de griepprik en vertelt dat dit zonder risico is, daarbij vertelt dat hij deze zelf gehad heeft en zichtbaar ziek is, is niet erg geloofwaardig. Een automonteur die aan klant-binding doet omdat de auto regelmatig onderhoud nodig is, is ook niet betrouwbaar.
Iemand die de integriteit van een arts aan de kaak wil stellen hoeft dus maar te hinten dat de arts niet in het belang van de patiënt handelt en hoeft daarbij alleen maar te wijzen op belangenverstrengeling en eenzijdige berichtgeving (iets wat gezien de huidige medische context, organisatie en teneur helaas niet zo moeilijk is). Het is heel eenvoudig het vertrouwen in een ander te breken, je hoeft zelf alleen maar geloofwaardig over te komen. Je hoeft de ander alleen maar te bevestigen in zijn onwetendheid om twijfel te zaaien.

Welk belang wordt er gediend met het scheppen van wantrouwen? Wie of wat heeft belang bij wantrouwen? Het eigenbelang van de persoon die wantrouwen zaait, het belang van diegene die van vertrouwen overgaat in wantrouwen? Of dient wantrouwen het algemeen belang? Voor de wantrouwende is niets belangrijker dan dit wantrouwen de verspreiden; het wantrouwen van de ander sterkt hem in zijn eigen wantrouwen. Hoe meer mensen wantrouwen hoe juister het wantrouwen is. Een leek die wantrouwt en dit wantrouwen verspreidt is dus het wantrouwen waard. Hoe kan een leek oordelen over de waarheid van een zaak, als hij zelf hier geen kennis van heeft?

Wetenschappelijk onderzoek in de handen van een leek (welke dan ook) leidt tot wantrouwen. Wetenschappelijk onderzoek in handen van vakgenoten moet de toets kunnen doorstaan. Mij rest niets anders (omdat ik onwetend ben) te vertrouwen op mijn wetenden, waaronder mijn arts, mijn automonteur, de slager en ieder ander waar ik afhankelijk van ben. Iemand die dit vertrouwen wil schaden, schaadt niet alleen diegene die ik vertrouw, maar ook mij. Ik heb immers geen ander alternatief dan te vertrouwen, ik kan en zal nooit wetend worden. Het enige alternatief dat ik heb is de persoon die ik ben gaan wantrouwen inruilen voor een ander die ik vertrouw. Hoe meer wantrouwen er gezaaid wordt hoe groter mijn probleem dat ik niet kan oplossen. Met het zaaien van wantrouwen dien je dus hoogstens je eigen belang, misschien het belang van die ander die niet vertrouwt, maar zeker niet het belang van diegene die vertrouwt.

Vervreemding en kwaliteiten

Vervreemding; het aflossen van een lening met geleend geld (een klachtschrift)

Kun je rood leren kennen door alleen die zaken aan te wijzen die niet-rood zijn? Kun je verantwoordelijkheid leren door onverantwoordelijk te zijn? En kun je sociaal gedrag leren kennen door a-sociaal te zijn? En dan zoemt er nog eentje door mijn hoofd, kun je leren nadenken door ondoordacht te handelen? Wat is nodig om een goed mens te zijn? En hoe kun je dat leren? Wellicht een vraag die eerder bij een opvoedkundige stelling past dan bij een filosofische stelling. Met de huidige berichten in de media en het voorbeeldgedrag van onze Groten der aarde (lees: directeuren, presidenten, topsporters en leiders) wordt dit wellicht toch weer een actuele vraag. Goed gedrag wordt doorgaans gerelateerd aan kwaliteiten: vaardigheden en houdingen passend bij een specifieke taak en functie.

De mens is verworden tot een onderdeel in het productie- en consumptieproces; en dit alles houdt onze economie draaiende. De mens produceert en consumeert cultuurgoederen en wijkt zelf niet zo veel af van dat wat hij maakt en consumeert. Of je nu over een auto, een huis, een televisie of een mens hebt, er wordt in gelijke taal over nagedacht en gesproken. Kwaliteiten en kenmerken, dat is waar het om gaat. De advertenties voor de verkoop van producten en de werving van mensen wijken niet zo veel af, hoogstens in opmaak. We werven zakelijk en verkopen op begeerte. En hoe zit het met de contactadvertenties? Dating is alom tegenwoordig en de eisen voor de ideale partner worden geformuleerd als ware het wasmachines, speeltoestellen en films.

Alles, mens en goederen, wordt uitgelegd aan de hand van de doelen die het dient. En vaak zijn deze direct gerelateerd aan een gevoel van geluk en succes. Maar wat dit is, dat is voor velen onduidelijk. Ongeluk dat kennen we wel, dat is namelijk de afwezigheid van geluk en succes. En toch geven we onszelf voor ons leven gemiddeld een zeven komma nogwat op de geluksschaal die loopt van één tot tien. Maar ja, als je veel van de noodzakelijke kwaliteiten en beschrijvingen bezit, dan moet je wel gelukkig zijn, toch?

Geluk was voor Aristoteles een afgeleide van een deugdelijk leven. Een deugd is iets anders dan een kwaliteit. Een kwaliteit dient namelijk een doel buiten zichzelf en een deugd is goed om zichzelf. Passend bij deze tijd beschikken we over kwaliteiten: de mens dient namelijk een doel buiten zichzelf. Het meest ondeugdelijke in de ogen van Kant; een mens is nooit een middel maar altijd een doel op zichzelf. Voortreffelijkheid is volgens Aristoteles de grootste deugd. Verstandigheid en vrijgevigheid deden het ook goed in zijn tijd. Tegenwoordig lijken mondigheid (het hebben van een mening) en individualisme (het opkomen voor jezelf) belangrijke deugden. Er is maar weinig inlevingsvermogen voor nodig om deze te zien doorschieten tot brutaliteit, niet luisteren en egoïsme. Gedrag wat doorgaans toch wel onverstandig is en waarbij ook de vrijgevigheid ver te zoeken is. Vanwege lijfsbehoud kijken we vaak liever de andere kant op als er iets mis gaat. En als het dan goed mis is, dan zoeken we een dader - we voelen ons slachtoffer - en kijken niet naar onze eigen rol en verantwoordelijkheden en kijken alleen naar datgene wat ons in onze ogen ten onrechte is aangedaan.

De centrale rol van kwaliteiten en de afwezigheid van deugden maken van de mens een middel. De mens wordt geobjectiveerd en verwordt tot cultuurgoed, passend bij massamedia en massale (stille) tochten. Het gat dat de vervreemding slaat wordt gevuld met nieuwe cultuurgoederen en kwaliteiten. Dit is als het aflossen van een lening met geleend geld. De individualiteit is maar schijn, want de keuze is beperkt (alle winkels verkopen hetzelfde) en onze huizen worden tot showroom van de laatste trend. Zo houden we de wereld draaiende en vervreemden hoe langer hoe meer van onszelf als mens.

Eigen zaken of de ander

Bemoei je met je eigen zaken of met de ander

Erasmus beschrijft in zijn Lof der Zotheid het menselijk bestaan als ware het een theater, waarin we vele rollen spelen en regelmatig van decor wisselen. Vaak gaat dit ongemerkt en voelen we ons op vele plekken op onze plaats. Huizinga stelt dat onze cultuur voortkomt uit spel, waarbij dat spel langzaam tot geloof, tot waarheid geworden is: zo doe je dat! En ook het succes van een spel valt of staat met de rol die spelers aannemen. En uiteraard: dat je je aan de regels houdt. De rechtspraktijk toont nog duidelijk de regels van het spel en hou je je niet aan de regels dan krijg je straf of je mag je (tijdelijk) niet meer meespelen.

Nu kun je je natuurlijk afvragen hoe natuurlijk zo’n (toneel)spel is? Of dit niet strijdig is met het zijn van de mens? Of in hoeverre de eigen persoon verdwijnt in de rollen die hij aanneemt? Misschien is het juist heel eigen aan de mens dat hij rollen speelt? En wordt hij door zijn rollen een mens? Sommige mensen spelen de rollen zeer plichtsgetrouw, anderen zoeken juist de grenzen van hun rol op en natuurlijk is er ook nog de mogelijkheid om je hier expliciet tegen af te zetten, en dus iets totaal anders te doen dan de rol voorschrijft. Deze drie vormen van gedrag worden duidelijk bepaald door de rol of het spel dat er gespeeld wordt.

Sommige mensen hebben het helemaal niet in de gaten, en vinden het beeld van Erasmus maar flauwekul. Hebben ze eenmaal nagedacht over het beeld, dan lukt het niet meer om de wereld niet als zodanig te bekijken. Wie weet wordt je door het lezen van deze stelling wel uit een droom gewekt of juist in een droomwereld gebracht? En wil je toekijken of meespelen?

Stel je nu eens voor dat iemand on-stage tijdelijk een andere rol aanneemt dan het script voorschrijft, dan zijn de tegenspelers (of zijn het medespelers?) al gauw uit hun evenwicht gebracht. De spelers gaan twijfelen aan zichzelf ‘oh... ik weet het niet meer’ of worden boos op de ander ‘waarom hou je je niet aan je rol?’. Gelukkig kun je in het theater, aan de hand van het script bepalen wie ‘van het padje af is’. In het dagelijks leven, werk, familie, vereniging, etcetera is dit vaak veel moeilijker te bepalen. We spreken dan over een communicatiestoornis, over een conflict, of over het ontduiken van verantwoordelijkheden. Plato pleitte, bij monde van Socrates, voor de algemene houding ‘bemoei je met je eigen zaken’. Dit klinkt in onze tijd erg negatief en ook wel asociaal, toch was het voor hem heel positief en sociaal. Zodra je je met de verantwoordelijkheden van een ander gaat bemoeien of je je eigen verantwoordelijkheden bij een ander neerlegt ontstaan er problemen. En dit zijn problemen die niet nodig zijn. Dit vraagt wel om autonome en redelijke mensen en niet om mensen die slaaf zijn van hun wil of hun emoties. Zonder de rede kun je niet weten wat je eigen zaken zijn.

Hier zo over nadenkend, over taken, rollen, verwachtingen en verantwoordelijkheden krijg ik toch de indruk dat dit een zekere afstand inbouwt tussen mens en de wereld. Onbevangen de wereld betreden is dan uitgesloten. Constant moet er nagedacht worden over hoe het moet. En als ik de ander aankijk dan vergaat mij het denken. Ik kan pas weer gaan nadenken wanneer ik afstand neem tot de ander. Buber noemt de eerste manier van in de wereld staan ik-het en de tweede ik-jij. Constant nadenken over rollen, taken en verantwoordelijkheden is nadenken over de wereld, de ander en jezelf als een Het: het onveranderde constante en definieerbare zijn. Ik-jij beleven is ín de veranderende wereld staan en de wereld en de ander ontmoeten. Wanneer mensen elkaar tegenkomen in een ik-het wereld, en beide spelen daarbij een passende rol, dan is dit een mooi, soepel en voorspelbaar spel: het theater. Wanneer twee mensen elkaar ontmoeten als ik-jij dan zal er iets nieuws ontstaan, ze hebben dan aandacht voor de ander, meer nog dan ieder voor zichzelf. Maar wat als ik-het en ik-jij bij elkaar komen?

De waardenloze economie

Onze economie is waardenloos

Graag wil ik vooreerst een eerdere uitspraak van mij onder je aandacht brengen: ‘je moet je afvragen of je filosofen en zotten vrijheid van meningsuiting wilt geven want ze kunnen wel eens rare dingen zeggen’. Want wellicht ga ik in deze stelling iets heel raars zeggen. Je mag dus zelf weten of je het wil lezen en als je het leest kun je zelf bepalen of ik de zot of de filosoof ben. En als je het zelf niet raar vindt? Och die optie is ook nog mogelijk.
Zoals Nietzsche het voorschrijft, zal ik dat wat we vanzelfsprekend vinden, ter discussie stellen. Deze stelling sluit aan bij een bericht in de krant over de groei van de economie en dat Nederland achter blijft bij de buurlanden, en dat deze landen het beter doen. De groei blijkt aldus een fictieve groei doordat ze een directe afgeleide is van vermeerderde overheidsuitgaven. Het is niet de vermeende groei die ik in deze stelling wil bevragen, maar wel hoe wij haar waarderen.

Even terug in de tijd: Machiavelli constateerde rond 1500 dat de mens er niet zo goed tegen kan als zijn bezit niet groeit. Zelfs bij gelijkblijvende inkomsten en een gelijkblijvend kapitaal heeft de mens het gevoel dat hij minder heeft. Dit is een niet wenselijk gevoel, en een mens heeft er veel voor over om dit gevoel te voorkomen, dan wel te bestrijden. De drijfveer voor meer was een direct gevolg van de angst voor minder. Volgens Machiavelli is dit één van de zwakheden van de mens (iets waar je rekening mee dient te houden, en waar je wijselijk gebruik van moet maken).
Volgens Machiavelli was Vrouwe Fortuna mede verantwoordelijk voor grote voorspoed en immense tegenslag. De andere factoren waren persoonlijke onzorgvuldigheid en onnadenkendheid. Bij grote voorspoed moest je bedacht zijn op tegenslag, en er al helemaal niet op rekenenen dat deze voorspoed lang zou aanhouden. Behoudendheid is dus noodzakelijk. Het was zaak om te zorgen dat je situatie min of meer stabiel bleef. En stabiel heeft hier niet de betekenis van stabiele groei, maar van een beperking van verlies en een beperking van groei. Groei was alleen noodzakelijk om de angst voor verlies te temmen. Wanneer iemand speculeerde op grote winsten, dan legde hij zijn fortuin in de handen van Vrouwe Fortuna. Iets wat niet van grote wijsheid getuigde.

Sinds de Verlichting leven we in een tijdperk van groei en ontwikkeling, beide ondersteund door de rationaliteit. Bacon liet ons geloven in de maakbare wereld. Laat ik hier maar zeggen dat onze angst voor de grillen van Vrouwe Fortuna werd vervangen door een geloof in vooruitgang. Of zoals Horkheimer & Adorno constateren: in de laatste eeuwen is ons geloof in God vervangen door een geloof in vooruitgang, groei en rationaliteit. Dit geloof in groei en de angst die Machiavelli beschrijft zijn mooi terug te vinden in onze emotionele reacties op schommelingen in de beurskoers: een stijgende beurs werkt euforisch en een dalende beurs zorgt al gauw voor paniek. Voor de individuele mens geldt dan het volgende: als je grote winsten weet te realiseren voor jezelf en je bedrijf dan wordt je goddelijk, zo niet ... och dat is de moeite van het beschrijven niet waard. En wie wil niet goddelijk zijn?

In de laatste decennia is het geloof in groei tot waarheid geworden. Economische groei is (als) een natuurwet. We geloven niet meer dat de economie groeit, nee, we weten het zeker! En als ze niet groeit dan is ze niet in orde. Groei en krimp hebben een waarde-oordeel gekregen: economische groei is goed en krimp is fout / slecht. Iets wat duidelijk terug te vinden is in de huidige berichtgeving rondom het economisch herstel. Dit zit zo ingebakken in ons denken dat we zelfs spreken over herstel van de economie als ware het een patiënt die herstelt van een griep (de Mexicaanse?). En voor dit herstel mogen heel wat medicijnen worden ingezet: verkoop van onderdelen, schuiven met investeringen, ondoorzichtige financiële producten en constructies, prijsafspraken, overheidssteun, marktbescherming, concurrentievervalsing, etcetera. Kortom nog steeds geldt: alles mag want groei is goed en hij die het meeste groeit is de beste. Precies die attitude die ons allemaal in het zand doet bijten omdat dit tot de huidige financiële crisis heeft geleid.

Onze waarheid is zo fundamenteel dat onze eerste zorg het herstel van de patiënt is, zonder erover na te denken wat haar heeft ziek gemaakt. Hierdoor schrijven we eenzelfde leven voor als dat wat de patiënt heeft ziek gemaakt. Of met andere woorden: ‘om te herstellen van hart- en vaatziekten adviseren wij u een cholesterolrijk dieet met weinig lichaamsbeweging’. En misschien moeten we ons zelfs afvragen of de patiënt wel een patiënt is. Misschien is de dokter wel een kwakzalver?

Waar komt deze waardering in de economie toch vandaan? Waarom is groei waar (lees: goed)? Is economische groei wel (als) een natuurwet? Kunnen we de economie niet als een waardenloos fenomeen beschouwen? Niemand is bang dat bij vloed de zee het land overspoelt of dat ze zich bij eb permanent terugtrekt. Eb en vloed worden als waardenloze fenomenen van de zee ervaren en gemiddeld gezien is het zeepeil constant. Onze angst slaat pas toe wanneer we het vermoeden hebben dat ze oncontroleerbaar daalt of, zoals in onze huidige milieuzorg, stijgt. Onze huidige crisis is een direct gevolg van ons waanbeeld dat groei waar en goed is en onze afgoden zijn zij die deze permanente groei weten te realiseren. Moeten we onze waarheid niet ter discussie stellen wanneer onze ervaringen grond tot twijfel geven? Er is ook geen schipper die uitvaart met springtij, hij weet (uit ervaring) welke risico’s hieraan verbonden zijn. En er is ook geen mens die een dansje gaat doen om de zee te bezweren, omdat hij bang is dat de zee bij eb, definitief het strand verlaat.

De verrijking door de taal

De rijkdom van de taal verdient het om geplukt te worden.

Empodocles’ Aarde, lucht, water en vuur is niet alleen puur inhoudelijke interessant, maar heeft ook een interessant talig aspect. Natuurlijk is het boeiend om te lezen hoe men twee en een half duizend jaar geleden dacht over de elementen als oorsprong van het bestaan. Toen waren het er vier en nu hebben we een volledig periodiek systeem. Is dit laatste werkelijk anders? De taal maakt het extra boeiend. De tekst is oorspronkelijk geschreven in het Grieks en sommige stukken zijn alleen in het Latijn overgeleverd. Het is dus niet altijd eenduidig hoe deze tekst het beste vertaald kan worden. Heel bijzonder dat de vertaler in de uitgave van Damon hier zelf ook mee stoeit en dit met de lezer deelt in zijn commentaar.

Een ander niet te verwaarlozen fenomeen bij het lezen van zo’n tekst is het feit dat onze taal steeds eenduidiger wordt. Volgens Horkheimer en Adorno, in hun dialectiek van de Verlichting, heeft de verlichting tot een steeds nauwkeuriger en eenduidiger taalgebruik geleid. Dit heeft natuurlijk zijn voordeel, zeker in de wetenschap, maar het is tevens een verarming van onze belevingswereld en onze verbeelding. De waarheid van religie heeft plaats gemaakt voor de waarheid van taal en wetenschap. In hoeverre moeten we de elementen van Empedocles benaderen als ware het elementen van ons periodiek systeem?

Even een kort uitstapje... Empedocles gaat er vanuit - even kort door de bocht - dat de dood het uit elkaar vallen is van de verschillende elementen waaruit iets is opgebouwd. Hij vraagt zich dan af in hoeverre de dood dan het einde is. Wij leggen helemaal geen relatie tussen de dood en het periodiek systeem; als een uit elkaar vallen in nieuwe combinaties. De verschillende elementen van Empedocles zijn afzonderlijk net zo waardevol als de verschillende combinaties waarin ze zich mengen (tot alles wat er is). We kunnen ons bestaan en het periodiek systeem dus wellicht ook benaderen als ware het de elementen van Empedocles. Na mijn dood groeit een deel van mij tot een boom, of tot een dier (misschien wel meer), een plant en wellicht wordt ik ook wel een deel van de oceaan of wordt een deel van mij wel een deel van de oceaan.

Maar nog steeds is taal hier een eenduidig systeem van woorden en dat waar ze naar verwijzen. De filosofen die wij in onze programma’s gebruiken krijgen allemaal hun eigen afbeelding met symbolische verwijzingen. Een kan met helder water op de afbeelding bij Erasmus verwijst naar zijn streven naar een zuivere moraal. De duif fungeert als vredesduif, zijn zoektocht naar de harmonie ondanks (of wellicht dankzij) strijdigheden en conflicten die onlosmakelijk verbonden zijn met het bestaan. Zo staan er ook boeken en een uil op, objecten die tot de verbeelding spreken. Ze helpen om de idee te onthouden. Associëren is een prachtige kwaliteit van mensen, het is vaak de basis van humor en kinderen zijn er zeer bedreven in. Ook in huis, tuin en keuken gesprekken wordt wat af geassocieerd. Brainstormsessies maken gebruik van deze methode om meer ideeën op tafel te krijgen.

De tekst van Empedocles kan dus ook heel anders benaderd worden, namelijk door de elementen figuurlijk te nemen. Aarde, lucht, water en vuur krijgen dan heel andere betekenissen en verwijzen dan wellicht naar kwaliteiten of kenmerken. Ze kunnen ook verwijzen naar dynamiek en vluchtigheid of juist naar hardheid en stabiliteit. Bedenk zelf maar welke betekenissen je hier aan kunt geven en wat dat dan vertelt over de wereld om je heen.

Het zoeken naar de betekenis van deze tekst van Empedocles doet wellicht vragen stellen bij de exactheid die we van elkaar verwachten. Verschillende betekenissen vinden we doorgaans lastig, moeilijk en verstorend wanneer we een gezamenlijk resultaat willen realiseren. We vrezen de verarming die hierdoor ontstaat. Horkheimer en Adorno vrezen het eenduidige taalgebruik juist omdat de eenduidigheid ons als mens verarmt en niet verrijkt.

Cultuur, je hebt er niets van begrepen

Het willen veranderen van cultuur kan alleen met de geloofwaardigheid van een cabaretier.

Hoewel er vele definities van cultuur te geven zijn wil ik dat hier niet doen. Ik wil alleen maar inzoomen op één van haar kenmerken. Ze beschrijft namelijk iets wat over meerdere mensen heen gaat, iets wat kan blijven bestaan ondanks dat de individuele mensen variëren. Neem een bedrijfscultuur, deze blijft relatief constant terwijl er medewerkers in- en uitstromen. Nieuwe medewerkers nemen relatief snel de cultuur over en oude medewerkers laten de cultuur ook weer gauw los, zodra ze op een nieuwe plek werkzaam zijn.

Cornelis Verhoeven beschrijft een kenmerk van dát wat cultuur is. Dat waar we niet over nadenken, wat we als vanzelfsprekend ervaren behoort tot onze cultuur. Dit maakt het per definitie zeer moeilijk, zo niet onmogelijk om dat wat cultuur is ter discussie te stellen. Vanzelfsprekendheden stel je namelijk niet ter discussie. Dan ben je al gauw onnozel, gek, idioot of je begrijpt er niets van.

Als ik hier dan ook nog dat leuke citaat van Francis Bacon bij plak “De gedachten van mensen komen overeen met hun neigingen; hun spreken en betogen komen overeen met hun kennis en verworven meningen; maar hun daden met de gewoonten die ze ontwikkeld hebben.” dan hou ik weinig ruimte over om ook maar iets aan cultuur te veranderen. Immers ieder inzoomen op en overtuigen van een individu, die de cultuur in zijn greep heeft, waarbij zijn woorden, daden en gedachten niet noodzakelijk overeenstemmen en waar ik bovendien de vanzelfsprekendheden niet ter discussie kan stellen zonder mijn eigen geloofwaardig te verliezen, is gedoemd te mislukken als ik de cultuur wil veranderen.

En dit leidt bij mij tot een wonderlijke constatering. En wellicht een lacune in het bovenstaande denken. Er wordt gekeken naar het individu. We zijn wellicht eerder geneigd om te denken dat een individu aan zijn cultuur hangt, dan dat de cultuur hem in zijn greep houdt. Dergelijke gedachten leiden al snel tot gebrek aan vrijheid en individualiteit. Maar deze gedachten wil ik hier even gewoon laten liggen. Ik wil op zoek naar het fenomeen dat tussen mensen ontstaat, of anders geformuleerd: dat wat tussen mensen aanwezig is zodra mensen samen komen. En dan moet ik toch even gaan zoeken. Nicolas Luhmann aanschouwt de communicatie, Hannah Arendt beschrijft het handelen, Ludwig Wittgenstein beziet de taal en zowel Rene Girard als Elias Canetti schrikt van de massa.

Als ik al deze filosofen serieus neem dan kan ik alleen maar constateren dat wat tussen mensen gebeurt niet beïnvloed kan worden door in te zoomen op één of meer individuen. Dat dat wat tussen mensen gebeurt onvoorspelbaar is. Luhmann bekommert zich niet om doelen, Arendt beschrijft het wonder van het handelen, Wittgenstein toont ons hoe de taal behekst en hoe we in de taal gevangen zitten, Girard ziet de begeerte en Canetti de wens om bij de massa te horen (als werking van de massa en niet van het individu). Kortom geen enkele houvast om ook maar iets van de gedeelde vanzelfsprekendheden doel- en resultaat gericht te veranderen.

Even een klein uitstapje. Want wellicht hebben we hier met een denkfout te maken. Veranderingen en zeker doelgerichte veranderingen worden vaak technisch benaderd. Technisch in de betekenis van methodisch: beginsituatie - actie - resultaat. En idealiter weten we bij voorbaat wat de actie voor een resultaat zal hebben. En het liefst met zo min mogelijk bijeffecten. Wanneer we cultuur beschouwen als een organisch zelfstandig functionerend fenomeen zou ik wellicht moeten constateren dat dit denken hier niet past. Communicatie, het wonder, de taal, de begeerte en de massa laten zich niet sturen, ze zijn zelfstandig functionerende fenomenen die constant veranderen, en wel op onvoorspelbare wijze. De rationaliteit en de logica zijn ver te zoeken. Veranderen met behulp van rationaliteit, planmatigheid en logica is dan werken in een andere dimensie.

De denkfout die aan de basis ligt van een cultuurverandering als ware het een stuk hout in een stoel veranderen, maakt wellicht dat de cultuurverandering als zo’n onmogelijke opgave of als een zeer weerbarstig verander-traject wordt ervaren. Dit ligt niet aan de complexiteit van de stoel, maar aan de denkfout. Cultuur veranderen is zelf handelen, communiceren, spelen met taal, begeertes oproepen en af en toe de groep laten bewegen, en is dus ook zelf veranderen. Het resultaat is niet te voorspellen, maar beweging is gegarandeerd. En dan vooral niet kijken naar een individu, maar naar de beweging van het geheel. En weten welke vanzelfsprekendheden tot het verleden moeten gaan horen en dienen te worden ingenomen door nieuwe - welke? -vanzelfsprekendheden is dan wellicht interessante randinformatie. Maar wacht even, kun je vanzelfsprekendheden kennen en ter discussie stellen als dat je eigen vanzelfsprekendheden zijn? En als dit al lukt, dan verlies je je geloofwaardigheid, want je bent dan de enige die het niet begrepen heeft. Alleen een cabaretier heeft in zo’n setting zeggenschap. Maar wordt er na de lach dan echt over de inhoud nagedacht of gaan we daarna weer over tot de orde van de dag?

Of ben ik nu diegene die er niets van begrepen heeft?

De deugd komt van gisteren

Een snel veranderde cultuur leidt tot normvervaging terwijl we meer goed vinden.

Passend mijn voorbereidingen voor het Aristeia Moment Cultuur en het lezen van de Vrolijke Wetenschap van Nietzsche in de huiskamer schrijf ik hier een stelling die deze twee met elkaar verbindt. Een stelling die vraagt om goed en zorgvuldig lezen. Ze begint met een citaat van Nietzsche met daarin het woord cultuur. Ze bevat een zoektocht, naar wat er in die stelling staat en dus is aandacht nodig. Zoek je met me mee?
Het citaat: “Zeldzame mensen zijn de opduikende nakomers uit vervlogen tijden en culturen (bij wie de deugden zich ontwikkelen en spontaan tot uitbarsting komen). Dit veronderstelt wel een slapende cultuur. In snel veranderende omgevingen zijn zonderlingen minder zonderling.”

En wat gebeurd er dan als je dit leest? Niets, in ieder geval bij mij gebeurd er niets. Mijn denken staat stil. Ik lees en herlees dit citaat en probeer iets te vinden waar ik mij aan vast kan houden. Laat ik maar vooraan beginnen: de zeldzame mens dan maar. Maar wat is een zeldzame mens, zijn we dat niet allemaal? Nee, zegt Nietzsche, het is een nakomer uit vervlogen tijden, dus eigenlijk iemand van gisteren. Een zeldzame mens is dus niet iemand die vooruit loopt of erg vernieuwend is. Dus even vrij-denkend: als je voor de troepen uitloopt dan ben je dus in ieder geval niet zeldzaam. Even terug: Nietzsche legt een relatie tussen vervlogen tijden en zeldzame mensen. Hij legt niet een relatie met vernieuwing. Is vernieuwen dan niet zeldzaam? Is dat dan ordinair, in de betekenis van gewoon? Maar toch, zo schrijft hij ook, een cultuur kan slapen en dan is er geen vernieuwing (verandering). En dan is verandering weer niet gewoon, zijn-als-gisteren is dan gewoon. De zonderling is dan natuurlijk van eergisteren. Het gewone is dus dat wat cultuur is. Cultuur is dus dat wat gewoon is. Een cultuur van vernieuwing is dan dus een contradictie in terminis.

In snel veranderende tijden is de zonderling minder zonderling, kennelijk zijn er dan meer mensen die nakomertjes zijn, dan zijn er meer mensen die leven in de cultuur van gisteren of eergisteren. Zij denken dus dat er iets anders gewoon is dan wat er eigenlijk gewoon is. Dat zou betekenen dat mensen zich kunnen vasthouden aan een oudere cultuur terwijl de wereld om hen heen verandert. Dit veronderstelt dus één cultuur (dat wat gewoon is) met wat zonderlinge signalen van (uit) het verleden. Er is dus wel overeenstemming over dat wat gewoon is.

En dan schrijft Nietzsche iets over deugden, tussen haakjes, ‘bij wie de deugden zicht ontwikkelen en spontaan tot uitbarsting komen’. Wat moet ik daar nu mee? Kennelijk is dit wel een belangrijke toevoeging, anders had hij dit stukje tekst wel weggelaten. Zijn het de deugden van gisteren die tot ontwikkeling komen? Of zijn het überhaupt de enige deugden die in een cultuur tot ontwikkeling komen? Bestaat het gewone niet uit deugden, of met andere woorden, kan het gewone niet als deugd of ondeugd gewaardeerd worden? Zijn deugden dan iets van de oudere cultuur? En daarmee per definitie zonderling? We kunnen dus pas morgen zien wat gisteren deugdelijk was? Nee, nee, we kunnen iets vandaag alleen maar deugdelijk vinden als dat gisteren normaal was, maar morgen denken we daar wellicht anders over. Lopen de deugden dan achter de feiten aan of achter het heden?

En dan, om zonderling te zijn moeten de deugden tot uitbarsting komen. Ze moeten dus expliciet zichtbaar worden als gedrag. Wanneer de zonderling zijn deugden voor zich houdt, in woord noch daad tot uitdrukking brengt, dan zal hij niet zonderling zijn, maar normaal. Er staat niet voor niets het woordje ‘en’ tussen, de deugden ontwikkelen zich en komen tot uitdrukking. De deugden kunnen zich dus ook bij niet-zonderlingen ontwikkelen, ze komen dan alleen niet tot uitdrukking. Kan dat eigenlijk wel? Deugden die niet tot uitdrukking komen? Is dat niet het kenmerk van een deugd die zich ontwikkeld heeft, namelijk dat ze in woord en daad tot uitdrukking komt? Dan zijn dus de niet-zonderlingen niet ondeugdelijke maar zonderdeugden, of te wel: deugdenloos. Het gewone is dus deugdenloos; we kunnen het niet waarderen. Cultuur is dan dat wat we niet kunnen waarderen. En andersom: dat wat we niet kunnen waarderen is onze cultuur, dat wat waardenloos is.

De verwondering slaat dan compleet toe bij de snel veranderende omgeving: dan is de zonderling minder zonderling. Zijn er dan meer deugden? omdat er meer oudere culturen voortleven? Komen er dan meer deugden tot ontwikkeling, bij meer mensen? Zijn we dan beter in staat om iets te waarderen omdat er zoveel niet-gewoon is? Dan zou verandering noodzakelijk zijn om deugdelijk te zijn. Of toch op zijn minst noodzakelijk om de deugden zichtbaar te maken. Maar de deugden zijn van gisteren en zijn daarmee weer achterhaald, toch?
Zouden we kunnen stellen, dat er wellicht net zo veel zonderlingen zijn als bij een slapende cultuur, maar dat de deugden des al niet te min minder zichtbaar zijn, omdat ze meer verschillend zijn? Er is dan meer deugdelijk, omdat er meer tijdsbeelden doorleven, omdat er gisteren meer normaal was. Heet dit dan normvervaging? Of vinden we dan gewoon meer goed?

Verzoening is een vlinder

De verzoening is een vlinder die te snel vliegt.

Ze hebben weer een aardig thema bedacht voor de maand van de filosofie: Verzoening. Zo’n thema dat vervliegt in de wind, zodra de verzoening optreedt is ze verdwenen en daarvoor bestond ze ook al niet. Eerst dus even dat wat er aan vooraf gaat, namelijk strijd, geweld, kwaad, onvrede, etcetera. En we strijden nogal wat af, conflicten in het gezin, onenigheid op het werk, politieke strijd over het algemene belang, meningsverschillen binnen het team, en strijdige belangen in de vereniging. En toch beleven we dit doorgaans als goed en waardevol, we nemen de strijd voor lief, de strijd leidt tot betere resultaten of gewoon een goed resultaat en soms maakt deze strijd het geheel juist extra aantrekkelijk.

Veel van deze daagse conflicten leidt niet tot verzoening. En dat wil niet zeggen dat de strijd dan blijft bestaan, deze verdwijnt gewoon weer waarna we overgaan tot de orde van de dag. Zoals we kinderen leren elkaar een hand te geven en daarmee het conflict expliciet te beëindigen, en zich zodoende met elkaar te verzoenen, zo is deze daad uit onze eigen leefwereld verdwenen. We verzoenen ons regelmatig zonder dat we hier een expliciete daad van maken. En meestal zelfs zonder dat we het als zodanig beleven. En wees nu eerlijk: werkt dat? Opgelegd verzoenen? Blijven we dan niet in onszelf strijden? Of wellicht zelfs nog strijden met de ander?

Is verzoening dan wel iets speciaals? We maken het dagelijks mee en merken er doorgaans weinig van. Arendt spreekt niet over verzoening maar over vergeving. Ons handelen kan ongewild zo’n vervelende consequenties hebben, dat we als mens niet zouden kunnen bestaan als er niet zoiets zou zijn als vergeving. Iedere daad zou dan immers nooit tot een einde komen. We zouden eeuwig geconfronteerd worden met welke vervelende consequentie van welke daad dan ook. We zouden niemand meer onder ogen kunnen komen, en zeker onze eigen ouders niet. Ook de vergeving geschiedt doorgaans zonder veel omhaal. We stellen niet voor niets dat je geen oude koeien uit de sloot moet halen.

Ook Nietzsche leert je wapenen tegen kwalijke gebeurtenissen. Wordt een rijk mens! Lijdt niet wanneer iemand je benadeelt! Draag het ‘kwaad’ zonder te lijden! Hij stelt dus ook: vraag niet om excuses. En als je niet lijdt dan hoef je ook niet te vergeven. Er is immers geen kwaad geschied. Of moet je de ander vergeven omdat hij zich schuldig voelt?

Is verzoenen dan zoiets als excuses aanbieden en/of accepteren? Is verzoenen vergeven, zonder dat de ander er (expliciet) om vraagt? Of is verzoenen toch iets anders. Excuses worden er, zeker in politieke kring, heel wat aangeboden. Zeker aangaande daden die generaties geleden zijn uitgevoerd. Gaat dit dan om verzoening? En wie verzoent zich dan met wie? De huidige generatie met het gedrag van de gedoemde generatie? Of wellicht met de slachtoffers, of de nabestaande van de slachtoffers, of met het eigen verleden?

In hoeverre kun je je namens een ander verzoenen, of namens een ander je excuses aanbieden of namens een ander vergeven? Of is dit altijd een persoonlijke daad? Gezien de persoonlijke betrokkenheid van mensen lijkt het wel sterk een persoonlijke daad, of deze nu impliciet of expliciet tot uitdrukking komt. Plaatsvervangende excuses lijkt dan wel een beetje op plaatsvervangende schaamte.

Toch lijkt verzoening te kunnen bestaan zonder vergeving en zonder excuses. Je kunt je immers ook verzoenen met je eigen verleden, met je eigen ‘slechte’ daden, en daar komt geen excuus of vergeving aan te pas. Het heeft dan veel meer te maken met in het reine komen, het lijkt dan op vrede hebben met. Je legt je dan neer bij de situatie, zonder dat je blijft strijden. En wellicht past deze daad, als daagse activiteit dan wel zo bij al die strijd die we strijden, met onszelf en met de ander. En de excuses en de vergeving zijn dan stille daden en ook daar verzoenen we ons mee.
Verzoenen met het echte grote kwaad is veel meer een persoonlijke activiteit die soms een generatie, of zelfs meerdere generaties in beslag kan nemen. De daad is dan ook van een andere orde; het is een onbegrijpelijke daad. De menselijke geschiedenis leert ons, dat we ons ook daar wel, op termijn, mee verzoenen. Niemand lijdt nog onder de Trojaanse oorlog of de Slag bij Nieuwpoort. Vroeg of laat, treedt elke verzoening op. De verzoening ontstaat op het moment dat we ons er niet meer mee kunnen of hoeven te identificeren. En misschien geldt die identificatie ook wel voor de daagse verzoening, de conflicten zijn niet groot genoeg om onszelf er volledig mee te identificeren. Verzoenen is dan een eenvoudige daad.

Maar ja, als iets niet belangrijk meer is, wat betekent het dan nog? Hoe waardevol is het dan? Het is dan immers geen issue meer? Zodra de verzoening optreedt is het leed geleden en de strijd gestreden. De verzoening is dan wellicht het einde van de strijd, en daarmee vervliegt ze op het moment dat ze ontstaat. Eerst is er strijd, dan is er vrede en daar ligt de verzoening als heel klein moment tussen in. Ze gaat zo snel dat je haar niet eens, als een vlinder met een netje, kunt vangen. Je kunt hoogstens even genieten van de schoonheid die ze brengt voordat ze uit het zicht verdwenen is.

Anders dan meer van hetzelfde

Als iets werkelijk anders moet, dan is dat dus niet meer van hetzelfde.

“Het bestaande denken en handelen heeft ons in deze crisis gebracht en er is anders denken en handelen nodig om hier uit te geraken”. Het is vast niet lang geleden dat je (een variatie op) deze stelling bent tegen gekomen. Vaak volgt er dan een oplossing die toch, bij nadere analyse, meer van hetzelfde is, en dus niet werkelijk iets anders is. Kennelijk willen we iets, maar weten we niet hoe of wat te doen. Anders doen is niet zo eenvoudig. Maar wellicht is dat het kenmerk van het onbekende, namelijk dat het onbekend is. Hadden we het geweten, dan waren we er waarschijnlijk niet geraakt. Maar zo makkelijk wil ik mij er hier niet vanaf maken. In wezen gaat het hier zowel om kennis als om denken, en dat is de expertise van een filosoof. En dus zou ik daar meer over moeten kunnen zeggen. 

Allereerst de kennis, de geldende waarheid. Het valt nog niet mee om - zo overtuigd als we zijn dat waarheid niet bestaat - onze kennis ter discussie te stellen. Kennelijk is onze kennis van een andere orde dan de waarheid die niet bestaat. En wellicht zou ik hier onder kennis ook de methode van informatie verzamelen kunnen scharen en daarbij natuurlijk, de manier waarop we deze informatie interpreteren en waarderen en wat we hiermee verwachten te realiseren. En dan heb ik het dus eigenlijk over het denken. Want gezamenlijk vormen informatie, systemen, waarderingen, door-denken en vakkennis de rationele basis waar ons handelen uit voortkomt. Wellicht plannen we niet al onze daden, maar achteraf uitleggen waarom we iets gedaan hebben of nog beter waarom dit bijdraagt aan de gestelde doelstellingen, dat is toch de weg die we in volle overtuiging bewandelen. 

Maar als dit de weg is die ons gebracht heeft waar we zijn, welke weg brengt ons dan hieruit? Het vinden van een andere weg is nog niet zo eenvoudig. Hoe van oud-denken nieuw-denken te maken? De bekende weg leek immers altijd succesvol. En dat wat werkt is waar, zegt de pragmatist. Deze pragmaticus, zal nu moeten constateren dat het niet meer werkt. Het enige antwoord dat hij daarop heeft is het experiment: iets anders gaan doen. Geen flauw idee wat, als het maar iets anders is. Doorgaans zijn we, in bedrijven, niet erg happig op deze methode. Het afbreukrisico is niet gering.

Een andere bron van ‘waarheid’ is doen wat de ander doet. Als het bij hem werkt dan zal dat bij ons ook wel zo zijn. Heel wat vakbladen zetten zo de toon voor een nieuwe ‘waarheid’. Een paar succesverhalen erbij en iedereen heeft er vertrouwen in dat het waar is en dus de moeite van het proberen waard is. Ook bedrijfsbezoeken doen het goed om nieuwe waarheden te ontdekken. Maar ja, die succesverhalen blijven nu, zeker in de branches die hard getroffen zijn, uit. En als ze al succesvol zijn, dan wijten we dat maar wat graag aan de omstandigheden van dat specifieke bedrijf. Dus vertrouwen in de ander, als grond van kennis en waarheid, is ver te zoeken. En ja, iedereen zit een beetje in het zelfde schuitje, dus wie durft als eerste te zeggen dat hij succesvol is. En hoe meet je dat op zo’n korte termijn, in zo’n onzekere omgeving? Voorspellen van succes is zonder voorspellend (denk)kader erg moeilijk.

Dan rest ons nog de wetenschap, maar de economische wetenschap ligt op het moment wel erg onder vuur. Ze maken modellen van de werkelijkheid, en ja, dan kun je wel eens een stukje vergeten. Met als resultaat dat je model toch anders werkt dan de praktijk. Dus modellen en theorieën waar we ons op kunnen verhalen zijn er eigenlijk niet. En van deze bron wordt zelfs expliciet gezegd dat we ons hier verre van moeten houden, ze waren namelijk een belangrijk deel in het proces dat leidde tot daar waar we nu staan. Maar ja, welk alternatief is er dan? Als al het bestaande geen houvast biedt? En dit toont nu hoe moeilijk het is om anders te doen dan je deed. Er is namelijk geen grond meer waar je op kunt staan.

We kunnen constateren dat we vergroeid zijn in denken en handelen met een waarheidsvinding die maakt dat we staan waar we staan. We kunnen dit, als je wilt prachtig in kaart brengen, maar daarmee verandert er niets. We zullen deze vergroeiing moeten loswrikken. We zullen onze eigen aannames en ons eigen denken ter discussie moeten stellen. Dat wat zo vanzelfsprekend is, is dat dat niet meer! Om dan te zoeken naar vanzelfsprekende en vooral niet-vanzelfsprekende alternatieven, waardenloos en vrij denken heet dat; los van de conventies en los van bestaande waarheden.

Als filosoof heb ik het voordeel dat ik eeuwen van denken tot mijn ‘beschikking’ heb om al mijn waarheden en wellicht ook die van jou ter discussie te stellen. Als filosoof creëer ik constant het nieuwe, of zoals Hannah Arendt het noemt: het wonder. Zodoende creëer ik dagelijks nieuwe perspectieven op de wereld, waardoor ik (en jij?) een wereld zien zoals we hem nog nooit eerder gezien hebben. En als we dan al die nieuwe dingen (werelden) gecreëerd hebben, dan kunnen we ze waarderen op hun waarde, op hun nut voor de gewenste resultaten. Maar één resultaat hebben we al behaald. Het denken is substantieel veranderd. Iedere nieuwe daad is dus nooit meer eender aan de oude methodes en routines die normaal waren binnen onze dagelijkse activiteiten. Ons denken is los van het denken wat ons bracht waar we stonden, nieuwe wegen liggen open. We moeten ze alleen nog waarderen en ze daarna bewandelen.

Februari: het goede voor mens en organisatie

Hoe ‘eenvoudig’: wat goed is voor een mens is goed voor een gemeenschap!

Deze stelling is misschien wat verleidelijk, want zo eenvoudig is het wellicht niet, zo begreep ik van mijn proeflezers. Vandaar dan ook die haakjes. Het is een stelling voor gevorderden. Maar ja, het gaat dan ook misschien wel over gemakzucht en volharding.

“Waartoe dient het?” Een vraag die je bij iedere activiteit die je ontplooit zou kunnen stellen. Het is niet zo moeilijk om een goed antwoord klaar te hebben wanneer het om onze eigen activiteiten gaat. Het dient de organisatie, is goed voor het gezin, draagt bij aan persoonlijke ontwikkeling, etcetera. Allemaal mooie eerbare doelstellingen. Zo schrijven politici boeken om ons te laten lezen hoe eerbaar hun werk is. Vaak wordt er dan al gezegd ‘hij schrijft dat alleen maar om aan de macht te komen’ of ‘hij wil alleen maar indruk maken op zijn kiezers’. Kennelijk is het waartoe opeens veel minder eerbaar, in ieder geval doet de uitspraak ons al snel twijfelen aan de oprechtheid van de inhoud. Net alsof macht en nadenken over dat wat goed is voor een land, niet eerbaar is.

Marcus Aurelius schreef zijn overpeinzingen. Wanneer je dit boekje leest dan vergeet je dat het geschreven is door een Romeinse Keizer. Hij schreef het boekje voor zichzelf of misschien wel aan zichzelf. Hij stelde zichzelf de vraag hoe je als mens én als politicus goed kunt handelen. En dat doet je dan meteen afvragen of deze twee elkaar uitsluiten. Volgens Machiavelli sluiten deze elkaar uit. Kennelijk had hij deze overpeinzingen niet gelezen. Volgens Plato kan het goed samen gaan. Zijn (ideaal) staat wordt geleid door de wijzen (filosoof en koning). In het ethisch denken wordt er vaak een onderscheid gemaakt tussen het welzijn van een mens (ik en de ander) en het welzijn van bijvoorbeeld een staat of gemeenschap. Dit onderscheid voedt de gedachten dat het welzijn van een staat en van een individu strijdig kunnen zijn. Of zoals Machiavelli het concludeert dat ze praktisch gezien gewoon altijd strijdig zijn.

Aristoteles stelde: wat goed is voor een mens, is goed voor een staat, is goed voor de wereld. En dit kun je ook omdraaien: wat goed is voor de wereld is goed voor een staat, is goed voor een mens. Ook Marcus Aurelius komt tot een gelijksoortige conclusie. Hij was een ware kosmopoliet die vertrouwde op een kosmische rede. Je moet dan natuurlijk wel weten wat goed is voor de mens. Het antwoord op deze vraag spits Aurelius toe op drie thema’s: De houding van de mens tegenover de kosmos, tegenover andere mensen en tegenover zichzelf. En dit vraagt nogal wat van de mens. Iets waar Machiavelli wellicht niet in geloofde. Marcus Aurelius komt tot een drievoudig perspectief: de juiste blik op de dingen, de juiste houding tegenover de ander en het bevrijden van valse veronderstellingen en beoordelingen.
Dit lukt niet op één dag. De mens ontwikkelt zich van het lichamelijke via het psychische naar het rationele (die kosmische wereldrede). En als je zijn notities leest dan is dit geen gemakkelijke weg. Het is een wed die vraagt om veel volharding. Aristoteles ging op zoek naar het midden. Een persoonlijk midden in allerlei kwaliteiten (die doorgeschoten in welke richting dan ook, niet meer deugdelijk zijn, behalve dan de voortreffelijkheid). Maar ook dit veronderstelt continue aandacht. En misschien had Machiavelli dan wel gelijk; dat lukt een mens nooit, we zijn veel te gemakzuchtig. Een ‘sluwe heerser’ is dan noodzakelijk. Plato wilde dan tenminste nog een wijze koning. Is het dan wijs om sluw te zijn? Maar waartoe dient het handelen dan? Om de mens te beduvelen? Hoe eerbaar is dat? Zeker wanneer het goede voor de mens, de gemeenschap en de wereld samenvallen?

Het succes van Marcus Aurelius als keizer toont dat de wijze heerser ook een gemeenschap succes kan brengen. Hij wist zowel als staatsman als als mens goed te handelen. Wellicht is de vraag ‘waartoe dient het?’ een goed begin om iets wat strijdig lijkt te verenigen. Zeker wanneer je daarbij je eigen veronderstellingen en vooroordelen (oeps... beoordelingen) toetst en in twijfel durft te trekken. En om te beginnen moeten we dus de gedachten dat het belang van de mens strijdig is met het belang van een organisatie in twijfel trekken. Het is dus niet alleen zo dat wat goed is voor een organisatie ook goed is voor zijn medewerkers, maar ook: dat wat goed is voor de medewerker ook goed is voor de organisatie. Het in twijfel trekken van ons denken hoeft niet echt moeilijk te zijn. We zijn er doorgaans erg goed om in de gedachten van een ander in twijfel trekken, zeker wanneer we zijn doelen als niet zo eerbaar beoordelen.

* De stelling van de maand dient als discussiestuk en verkondigt waarheid noch persoonlijke mening van de auteur. In de stelling wordt gebruik gemaakt van het eclectisme. Dit is een door Jacomijn Hendrickx geïntroduceerde vorm van filosofie waarbij gesnoept kan worden van de ideeën van verschillende filosofen waarbij deze samen gevoegd kunnen worden op een wijze die de denker zelf bevalt waarin geen recht meer gedaan hoeft te worden aan de originele idee. Dit alles heeft tot doelstelling om het denken te scherpen, nieuwe perspectieven te creëren en discussies aan te zwengelen.

Januari: onderscheiden of niet

Het hebben van een waarheid is belangrijker dan de inhoud van die waarheid.


Nietzsche koppelt dat wat waar is aan datgene wat we maar beter kunnen geloven als we willen blijven bestaan. Kennis en voortbestaan zijn zo direct met elkaar verweven. De chaos van alle informatie die we ontvangen wordt zo ingedeeld als bijdragend en niet-bijdragend aan het voortbestaan. En we geloven dan maar wat graag wat een ander ook gelooft.
Het schaatsen van de afgelopen tijd vroeg om kennis over de conditie van het ijs en het onderhoud van de schaatsen. Uit de immense hoeveelheid informatie over ijs en schaatsen wist ik, en vele met mij, die informatie te halen die ons deden geloven dat het niet strijdig was met ons voorbestaan om te gaan schaatsen op bepaalde wateren en niet op andere wateren. Belangrijk referentiekader hierbij is: hoeveel anderen mensen staan er op het ijs? Als er veel anderen staan, dan is het eenvoudig om te geloven dat het goed is. Eigenlijk zijn we dan niet veel anders dan een schaap, die ook pas over de dam gaat, als andere schapen hem zijn voorgegaan. Alleen dan weet hij dat de dam veilig genoeg is om over te steken. Het eerste schaap - de eerste schaatser - weet zijn geloof dus kennelijk aan iets anders te ontlenen, bijvoorbeeld aan de dikte van het ijs, omdat dit eerder ook al eens als bruikbaar heeft gegolden. Erg veel ruimte voor creativiteit is er dus niet. En kijkend naar de grote hoeveelheid schaatsers, valt dat wel te rijmen met het het menselijk bestaan.

Nishida geeft iets meer ruimte tot creativiteit. Ook hij constateert dat eenheid in ons denken een belangrijk fenomeen is. Iets wat strijdig is met het bestaande weten, wordt niet toegelaten. Pas door de eenheid te veranderen of de eenheid te verruimen kan nieuwe kennis ontstaan. De intelligente mens van Nishida is in staat om veel strijdigheden tot een eenheid te vormen. Dit vraagt om veel nuanceren en specificeren. Nishida biedt ook de ruimte om iets nieuws te bedenken, om je eenheid te verruimen. Als je dus als eerste in staat bent om een strijdig stukje uit de chaos te verbinden met een bestaande eenheid dan heb je iets nieuws gedaan.

Maar als deze eenheid direct samenvalt met mijn voortbestaan, dan geldt dat wellicht ook voor het voortbestaan van een groep. Wil een groep voortbestaan dan moet ze met dezelfde eenheid (lees: waarheid) leven. Machiavelli stelt dat het hebben van een doel belangrijker is dan de inhoud van een doel. Wanneer we de bovenstaande gedachte volgen dan kunnen we dit wellicht ook anders formuleren: het hebben van waarheid is belangrijker dan de inhoud van die waarheid. En uiteraard is waarheid dan een gedeelde waarheid (lees: geloof). Het is praktisch als iedereen in hetzelfde gelooft. Dat iedereen hetzelfde als waardevol voor het voortbestaan ervaart. Twijfel binnen een groep leidt tot verdeeldheid en is een bedreiging voor het voortbestaan. En als er andere groepen zijn die op dezelfde manier functioneren als je eigen groep, dan is het dus wellicht heel verstandig om te geloven waar zij in geloven. Het is beter om niet het schaap voorop te zijn, maar het schaap dat volgt. Anders zijn - je onderscheidend vermogen - is dan wellicht heel wat bedreigender dan heel wat theorieën over goed ondernemerschap je doen geloven.

* De stelling van de maand dient als discussiestuk en verkondigt waarheid noch persoonlijke mening van de auteur. In de stelling wordt gebruik gemaakt van het eclectisme. Dit is een door Jacomijn Hendrickx geïntroduceerde vorm van filosofie waarbij gesnoept kan worden van de ideeën van verschillende filosofen waarbij deze samen gevoegd kunnen worden op een wijze die de denker zelf bevalt waarin geen recht meer gedaan hoeft te worden aan de originele idee. Dit alles heeft tot doelstelling om het denken te scherpen, nieuwe perspectieven te creëren en discussies aan te zwengelen.

We plaatsen cookies, zo min mogelijk en altijd anoniem.