Aristeia Omdat de werkelijkheid te denken geeft

December: dwalen

Doelstellingen ontvouwen alleen het bestaande, dwalingen maken het nieuwe mogelijk.

De afgelopen dagen heb ik ik even mogen proeven aan mijn paradijselijk leven: studeren. En deze studie vond plaats in de grootste - particuliere - bibliotheek in Londen: The London Library. Wanneer je je daar beweegt, tussen al die boeken die boven je hoofd (het plafond) en onder je voeten (de vloer) zichtbaar doorlopen, dan is het niet zo moeilijk om te begrijpen dat een bibliotheek al snel een labyrint wordt. Regelmatig was de uitgang ver te zoeken. Inhoudelijk is het geweldig om zo veel boeken uit zoveel eeuwen direct voor studie tot je beschikking te hebben. Al studerende ontstond zo ook een labyrint in mijn hoofd. Hoe zeer ik ook mijn best deed om mij te beperken tot de drie voorgenomen thema’s, al gauw waaiden mijn gedachten uit en werd mijn denken gevangen door alle teksten die ik bestudeerde. Ik voelde mij zowel in mijn hoofd als in mijn omgeving in het labyrint, de bibliotheek uit De naam van de Roos van Umberto Eco.

Wellicht was de draad van Ariadne praktisch geweest op mijn route. De draad van mijn trui had wellicht ook gewerkt. Maar deze draad vertelt alleen waar ik vandaan gekomen ben. De weg die ik insla wordt niet door deze draad ingegeven. Het dwalen ligt in de toekomst, de weg terug is een blik achterom (naar de draad). En zelfs de weg terug, hoewel geleid door de draad, voelt als een dwaling omdat ze er toch anders uitziet als de heenweg. Ben ik hier echt al geweest, het ziet er zo anders uit? Een echte weg terug bestaat wellicht niet.

Het dwalen geeft een wonderlijk gevoel. Tussen alle boeken in ook een tikje angstig. Waar ben ik, waar kom ik uit, hoe kom ik hier weg, waar is het boek dat ik zoek? Gelukkig ontstaat er al gauw een stuk gewenning met de aangebrachte structuur. De boeken staan immers niet willekeurig in een rek. Deze structuur geeft houvast bij het vinden van dat wat je zoekt. Dan moet deze structuur ook werken voor het vinden van de weg terug, maar dit moet dan wel in omgekeerde volgorde.
De structuur in mijn hoofd zijn de thema’s. Deze plaatsen de nieuw opgedane ideeën direct in een hokje en voorkomen dat ik te ver afdwaal van mijn doel. De basisstructuur in de bibliotheek was het alfabet en de onderwerpen. Maar in de ordening van de onderwerpen kon ik de structuur niet direct vinden, wellicht vraagt het wat meer tijd om in deze verdeling thuis te geraken. Ik mocht zoeken bij linguistics, liturature, philosophy, Greek, etcetera. Deze continue dwaling maakte de kennismaking met het fysieke labyrint niet erg systematisch. Ik heb wel het genoegen gehad om veel van het labyrint te zien, maar ik zou het niet kunnen reproduceren. Zonder hulp van een plattegrond zou ik er in noch uit geraken.

Het spijtige van de beide structuren is dat ik niet echt gedwaald heb. De structuur voorkomt dat ik doorlees wanneer ik iets interessant vind én dit niet in mijn thema past. Wellicht hebt ik nieuwe mogelijkheden bij voorbaat de nek omgedraaid. Ruimtelijk heeft ze weten te voorkomen dat ik het gebouw in zijn geheel heb kunnen ervaren. Het labyrint kent wellicht vele kruip-door en sluip-door routes en misschien heb ik ze ook wel gebruikt. Misschien waren er mooie vergezichten of doorkijkjes die mijn blijk op het labyrint als geheel hadden verrijkt of voor oriëntatiepunten hadden kunnen zorgen.

De angst om te verdwalen, zowel in mijn hoofd als in mijn fysieke omgeving deed mij vluchten in een structuur. Een structuur die mij inhoudelijk veel gebracht heeft, en vooral dat wat ik van te voren had willen bereiken. Hier had ik veel discipline voor nodig omdat de verleiding om te dwalen erg groot was. Wellicht had ik mij moeten overgeven aan de dwaling. Als er al een plek is om te dwalen dan is het wel het labyrint. Alleen zo had ik kunnen zien wat ze ze me zou brengen! Nu heb ik alleen maar gezocht naar dat wat ik wilde vinden. Wellicht was ik dan tot betere resultaten gekomen, misschien ook tot mindere, maar in ieder geval tot nieuwe; tot dat wat bij voorbaat voor mij onbekend is. Nu heb ik alleen een bestaand idee zich laten ontvouwen. Ik heb de deur dichtgeslagen nog voordat het nieuwe binnen kon komen. Had ik de deur open gelaten dan had ik het nieuwe mogen ontmoeten. Ik was dan tot iets geheel nieuws gekomen. Maar ja, die angst voor dwalen...

* De stelling van de maand dient als discussiestuk en verkondigt waarheid noch persoonlijke mening van de auteur. In de stelling wordt gebruik gemaakt van het eclectisme. Dit is een door Jacomijn Hendrickx geïntroduceerde vorm van filosofie waarbij gesnoept kan worden van de ideeën van verschillende filosofen waarbij deze samen gevoegd kunnen worden op een wijze die de denker zelf bevalt waarin geen recht meer gedaan hoeft te worden aan de originele idee. Dit alles heeft tot doelstelling om het denken te scherpen, nieuwe perspectieven te creëren en discussies aan te zwengelen.

November: de crisis die goed voelt

Het is paradijselijk als het met wat minder moet.


Moet ik mijn negenenveertigste stelling gaan schrijven en heb ik geen flauw idee waar ik het over moet hebben. Dit is zo’n mooi moment waarop ik begrijp waarom Nietzsche twijfelt aan de uitspraak van Descartes ‘ik denk dus ik ben’. Ik kan denken wat ik wil, of beter: proberen te denken wat ik wil, maar er komt niets zinnigs uit. Het denken denkt zelf, en ik heb daar niets tegenin te brengen. Mijn gedachten gaan wel uit naar het Obama-fenomeen maar dan kan ik de stelling van vorige maand inhoudelijk herhalen alleen dan met de conclusie dat we doorgaans gelukkig zijn en dat we nu lijden onder Obama en dat dat dus goed voelt. Maar ja, is mijn negenveertigste stelling dan wezenlijk anders dan mijn achtenveertigste stelling? En dan heb ik geen idee meer of ik de volgende maand nu mijn vijftigste schrijf of niet. Wellicht is het toch wel interessant, dus laat ik het maar proberen. Laat ik eens kijken wat het denken denkt.

Volgens Spinoza lijden we onder Obama. Dit lijden maakt ons overigens zeer gelukkig, zeker wanneer we tot zijn aanhangers behoren. De niet-aanhanger wordt tot wanhoop gedreven, maar daar wil ik het nu even niet over hebben. We hebben geen idee wat aanspreekt, we weten niet waar hij voor staat, behalve dan voor ‘Change’ en we weten al helemaal niet wat dit gaat inhouden. Laat staan dat we weten wat we zelf willen. Maar één ding staat vast, aanhanger zijn van Obama maakt blij. Hij grijpt aan en dus zitten we in zijn macht. Uiteraard kun je je hier afvragen in hoeverre hij dit zelf begrijpt of dat ook hij zelf lijdt onder zichzelf.
Hiermee toont Spinoza dus het mooie spectrum van blijheid en droefheid, waarbij we graag blij zijn en de droefheid mijden. Reacties op de huidige crisis, waarin wordt gezegd dat het best wel goed is als het wat minder wordt, is zo’n mooie constructie van blijheid waarin de droefheid, de angst voor het minderen, teniet wordt gedaan.

Ook nu kan ik weer bij Canetti te raden gaan. Zijn idee van massa blijkt nu ook te kloppen. De massa wil groeien. En de massa groeit en toont zichzelf. Commentaren in de media beschrijven de feestende massa waar de commentator niet gelukkig van werd omdat hij het gevoel had niet op zijn plaats te zijn. Kennelijk was hij een niet-aanhanger: aansluiten of wegwezen is het stramien. De massa grijpt om zich heen. We zijn dus massaal aanhanger en dat voelt goed!
De massa heeft maar een zeer beperkte grond van bestaan, valt haar bron weg dan is de massa zo verdwenen. Zodra iedereen weer over gaat tot de orde van de dag en terugvalt in zijn individualiteit - die in de massa verdwijnt, waardoor we ons veilig voelen - dan is haar kracht acuut verdwenen.

Girard is ook hier op zijn plaats. De driehoeksbegeerte creëert haar leiders, haar charismatische leiders. We begeren verandering, we willen uit ons ongeluk - en met de huidige crisis is dit ongeluk groot - en dus wijzen we met zijn allen een leider aan. We wijzen deze leider ook aan elkaar aan en zo groeit ons geluk en zo groeit de leider. De andere optie die Girard ons biedt is de zondebok. Ook deze kunnen we massaal gaan aanwijzen. Het boek Job toont overigens hoe dezelfde massa haar leider de dood in jaagt. De leider wordt de zondebok. We zijn dus nog niet klaar met ons aanwijzen. Zowel de leider als het ‘logische gevolg’ van deze massale begeerte zijn irrationeel en het irrationele toont zich in haar wonderen en in haar kracht. Er wordt nu in ieder geval al met smacht op Obama’s wonderen gewacht als hij deze niet al verricht heeft.
Wat Girard in ieder geval mooi onder woorden weet te brengen is dat dit fenomeen enorm sterk cultuur-vormend is, dus dat er een sterke gemeenschap uit voort komt, een ervaring die het individu zelf niet als zodanig herkent omdat dit zich openbaart door een gevoel van zelfvertrouwen en gelukzaligheid. Vandaar die uitbundige feestvreugde.

In de vorige stelling liet ik ook Kierkegaard aan het woord, en ook nu is dat gepast. Zijn vlucht van de angst is nu herkenbaar in de vlucht van onzekerheid die ons met deze crisis te wachten staat. En we storten ons dus met grootste overtuiging, of vluchten zoals Kierkegaard dat noemt, in de belofte van een leider. Een leider die belooft - of we denken dat hij dat beloofd - dat we met de keuze voor hem voor het goede leven staan. Dat we dus een leven krijgen waarin onze huidige zorgen zullen verdwijnen.
Oeps, dat klinkt wel erg paradijselijk.

En dit doet mij denken aan een van de gedachten van dit weekend - die zichzelf bedachten - namelijk naar het paradijs, de hemel. Hoe stellen we ons tegenwoordig het paradijs of de hemel voor? Als ik sterf, hoe zou ik dan willen dat de hemel eruit zag? Even aangenomen dat de hemel bestaat - want dit valt niet aan te tonen. En als we de huidige positieve commentaren op de crisis mogen geloven, dan is het toch wel heel goed dat het allemaal wat minder wordt. In het paradijs moet het dus met wat minder.


* De stelling van de maand dient als discussiestuk en verkondigt waarheid noch persoonlijke mening van de auteur. In de stelling wordt gebruik gemaakt van het eclectisme. Dit is een door Jacomijn Hendrickx geïntroduceerde vorm van filosofie waarbij gesnoept kan worden van de ideeën van verschillende filosofen waarbij deze samen gevoegd kunnen worden op een wijze die de denker zelf bevalt waarin geen recht meer gedaan hoeft te worden aan de originele idee. Dit alles heeft tot doelstelling om het denken te scherpen, nieuwe perspectieven te creëren en discussies aan te zwengelen.

De crisis die niet goed voelt

We voelen ons standaard niet zo goed en nu lijden we onder de crisis.


In deze tijd ontkom je er haast niet aan om je zegje te doen over de huidige situatie, over de huidige crisis. En graag zou ik me hier verre van houden, maar kennelijk wordt ik er ook door gegrepen. En lukt het me niet om van deze grip echt los te komen. Het grijpen verwijst al naar de macht die van de situatie uit gaat. Het pakt je letterlijk vast en het lukt je niet meer om uit deze greep los te komen. Elias Canetti ziet het grijpen en vasthouden als een wezenlijke handeling van macht. Je zou dan dus kunnen zeggen dat we letterlijk in de macht zijn van de recente ontwikkelingen binnen de financiële sector. Hiermee is deze situatie niet anders dan elk ander iets waar je door gegrepen kunt worden, en dat kan van alles zijn: een specifieke sport, muziek, de vallende bladeren, een mens, ja je kunt zelfs gegrepen worden door de filosofie. En nu worden vele van ons gegrepen door het functioneren van de banken, de dalende beurzen en de acties van de overheid.

Ook Spinoza beschrijft het grijpen. Zijn aandoeningen grijpen aan. We lijden dan ook onder dat wat ons aangrijpt, tenzij we begrijpen. Wederom het grijpen, maar in het begrijpen, grijpen we zelf. En het leuke is dat in de huidige setting er maar weinig mensen zijn die dit echt begrijpen. Of we het nu over de financiële constructies hebben, over de impact of de persoonlijke betrokkenheid. We begrijpen niet wat er aan de hand is en we begrijpen niet waarom dit ons zo aangrijpt, noch waarom velen van ons hier mee bezig zijn. En dus lijden we met z’n allen onder deze crisis; ze heeft ons in haar macht.

Er speelt nu nog een bijzonder element mee, namelijk de angst voor massavorming. We zijn bang dat een grote groep mensen identiek gedrag gaat vertonen, bijvoorbeeld het massaal verstoppen van het spaargeld onder de matras. En dit element heeft ook weer twee kanten namelijk de angst en de vorming van de massa.

Een massa is zo gevormd! Zowel Spinoza, Canetti en Girard herkennen dit fenomeen. Spinoza herkent de bevestiging van het gedrag. Wanneer we versterkt worden in dat wat we doen zullen we volharden en als persoon groeien. Wanneer je dus doet wat de groep doet, voel je je als individu beter en zul je volharden in het gedrag van die groep.
Canetti constateert dat de massa het in zichzelf draagt om te groeien. Niets wil zo hard groeien als de massa. Iedereen die buiten de massa staat wordt onweerstaanbaar aangetrokken door die massa. In de massa is het veiliger dan erbuiten. En dus zwelt de massa aan.
Girard beschrijft het fenomeen vanuit de driehoeksbegeerte. Als anderen zich goed (schijnen te) voelen door bepaald gedrag dan is iedereen die dat niet doet, zich niet zo goed voelt én het ziet, geneigd om dit gedrag te gaan kopiëren. En wederom is de massa zo gevormd. Kennelijk voelt het beter om in de massa te staan dan erbuiten.

En dan nu de angst. Kierkegaard heeft hier een prachtig uitspraak over: “de vlucht van de angst leidt tot een volkomen ergens in op gaan”. En de huidige angst voor het vormen van een massa die niet meer te sturen is, openbaart zich dus in een volkomen ergens in op gaan, en dus specifiek: het tegengaan van die massavorming. En dit “volkomen ergens in op gaan” zegt al genoeg, namelijk dat er geen enkele kritische reflectie of begrijpen mee samengaat. En dus is zowel de vlucht in de massa als de actie om dit tegen te gaan volledig onbezonnen maar ze voelt wel even goed voor diegene die ze uitvoert. Beide vluchten kenmerken zich door het niet begrijpen van de situatie, het niet begrijpen van dat wat aangrijpt en dus lijden we noodzakelijk.

We willen van alles, maar hebben geen enkel idee van de oorzaak van deze wil. Ze krijgen allebei vorm door wat Spinoza het natuurlijk functioneren op basis van het niet-begrijpen noemt. En iedereen lijdt dus, spijtig maar waar. Maar daarmee is een crisis niets anders dan elk ander moment omdat ons handelen altijd vorm krijgt door de begeerte, de massa, de vlucht van de angst en het onvermogen om te weten wat ons aangrijpt.

September: kijken naar vrouwen en organisaties

Ons kijken verhult dat wat werkelijk is, omdat dat wat schijnt ons doet geloven dat het zo beter is.


Merleau-Ponty leert met zijn fenomenologie om opnieuw naar de wereld te kijken. Hij constateert dat de moderne schilder beter kijkt dan de klassieke schilder. De oude meesters, bijvoorbeeld de school van Athene van Rafaël of de mooie Hollandse vergezichten van Albert Cuyp, tonen vooral een berekende blik op de wereld: één blik, vanuit één standpunt, en met een doorgerekend perspectief. Merleau-Ponty is hier helemaal niet gelukkig mee, want zo stelt hij, zo kijken we helemaal niet. Wanneer we kijken dan staan we niet stil en ons denken denkt er van alles bij. De vrouwen van Picasso tonen veel beter wat we zien dan de vrouwen van Rubens. Wanneer we naar een vrouw kijken dan zien we veel meer dan het platte vlak en Picasso schilderde niet alleen dat wat we zien, maar ook dat wat we denken.

Een museumbezoek met Merleau-Ponty als begeleider toont dus een totaal andere kijk op doeken dan de wanneer we de gulden snede als leidraad gebruiken. De wonderlijke kleuren van de Fauvisten en de impressionisten, waarbij bovendien het juiste perspectief ver te zoeken is, tonen dan een volledigere blik dan de schilderkunst uit de renaissance. De laatste geeft ons een kwantitatieve blik, de eerste een kwalitatieve blik.

Bergson concludeert iets soortgelijks. Het kwantitatieve denken plaats zaken die we gelijktijdig ervaren naast elkaar in de ruimte, het kwalitatieve denken beleeft dit alles in één keer en is dan sprakeloos. De taal en de communicatie verplicht ons om dat wat we beleven te kwantificeren. We maken van de vrouw die we ineens beleven wanneer we haar ontmoeten een schoonheid op het platte vlak, afstandelijk en ongrijpbaar.

De blik op een schilderij over de hemelse en aardse liefde toont ook dit prachtige verschil. Zo kunnen we Titiaan naast Sluijters plaatsen.




De liefde, aards en hemels, neemt bij Sluijters een andere vorm aan dan bij Titiaan. Je kunt je afvragen welke wereld je het liefste ziet, of welke het meest waarheidsgetrouw is. Wat de essentie is, en wat de context, wat het weergeeft en wat het wil verbeelden, of waar het in de liefde en wellicht het leven nu eigenlijk om draait.

Merleau-Ponty roept op om te kijken naar dat wat is, dat wat je ziet en beleeft en dit niet te kwantificeren. Bergson maakt het onderscheid tussen de sociale - wetenschappelijke - wenselijke werkelijkheid en dat wat wij daadwerkelijk beleven. De vervreemding van onszelf en onze omgeving creëert een mens en een wereld die niet bestaat, hoewel velen hier wel in geloven.

Augustus: Vertrouwen als gezelschap


Het organiseren van vertrouwen maakt van vertrouwen een maintenée.

Wanneer ik een filosofisch avontuur start waarin iedere vorm van vertrouwen afwezig is, dan stuit mij dat enorm tegen de borst. Ik geloof niet dat er een wereld kan bestaan waarin wantrouwen het uitgangspunt is. Waarschijnlijk zegt dat meer over mij dan over vertrouwen of wantrouwen in het algemeen. En toch is er iets wonderlijks aan de hand. Alle controle mechanismen die we tegenkomen tonen dat we elkaar niet vertrouwen. Neem nu de olympische spelen. Een van de deelnemers legt namens alle sporters een olympische eed af, dat hij eerlijk zal strijden, volgens de regels en zonder gebruik te maken van doping en drugs. Daarna doet een official hetzelfde in naam van alle betrokken officials en scheidsrechters. Wacht even: scheidsrechters? Waarom hebben hockeyers, voetballers, en al die sporters controleurs nodig om hen aan de regels te helpen houden? Waarom wordt er dagelijks op het gebruik van doping gecontroleerd? Is de eed niet genoeg? We beginnen met vertrouwen, anders is iedere vorm van competitie uitgesloten, dan nemen we eed af en vervolgens gaan we dit controleren.
Nu is de sportwereld nog erg overzichtelijk. En het verschil tussen eerste of tweede is doorgaans een veel groter verschil dan de cijfers doet vermoeden. En de (financiële)belangen zijn groot. Dus, zo is het geldende argument, moeten sporters tegen zichzelf, elkaar en de druk van de wereld beschermd worden. Vertrouwen is mooi, maar controle is beter, wordt dan het devies.

Als we nu kijken naar onze eigen organisaties dan blijkt vertrouwen vaak ook een lastig fenomeen. Of het nu gaat om fraude of de daadwerkelijke activiteiten die mensen aan de dag leggen. Als we de reclames mogen geloven dan kost ons dit miljoenen. En dus moet er van alles georganiseerd worden om deze kostenpost het hoofd te bieden. Binnen organisaties is efficiëntie en fraudebestrijding en daarmee kostenreductie het devies. Het werk moet zo efficiënt mogelijk worden uitgevoerd met een zo klein mogelijke kans op fouten. Operational excellence wordt doorgevoerd in heel wat meer afdelingen dan alleen de operatie of de productieafdeling van een organisatie. En onder het mom van efficiëntie wordt de bewegingsvrijheid van medewerkers tot een minimum beperkt. Niet alleen het eindresultaat komt vast te liggen, maar ook de wijze waarop dit gerealiseerd moet worden. En vooral moet deze hele weg glashelder, openbaar, doorzichtig en controleerbaar zijn. En daar gaan we... iedere vorm van vertrouwen verdwijnt. Want een persoonlijk besluit is vaak moeilijk te verantwoorden, en dus wordt het beslissingstraject voorgeprogrammeerd. Het is niet dat we de persoon niet vertrouwen, maar ieder ander op zijn plek moet tot hetzelfde besluit of dezelfde conclusie komen. De mens als individu verdwijnt en wordt een productie-eenheid. Precies zoals Taylor dit ooit tot ideaal verhief en precies zoals we dit daarna hebben willen verwerpen via onze inmiddels gestandaardiseerde persoonlijke aanpak van onze HR-afdelingen.

Onze efficiëntie heeft als bijwerking dat vertrouwen niet de motor is van de organisatie, of zoals Fukuyame dit formuleert: vertrouwen is het menselijk kapitaal. Door mensen te vertrouwen bouw je kapitaal dat vele malen ‘goedkoper’ is dan iedere vorm van controle en controle van controle. Zelfs als je de misslagen meerekent. Efficiëntie heeft een heel vervelende bijwerking, namelijk dat fout handelen geld kost en dus voorkomen moet worden. Organisaties worden ingericht op het voorkomen van fout-handelen, niet omdat mensen fout handelen, maar omdat een foute handeling geld zou kunnen kosten. We wantrouwen niet, maar handelen zodanig dat vertrouwen verdwijnt.

Om nu dit vertrouwen in mensen te herstellen, en uiteraard spreken we hier ook over leveranciers en klanten, moeten we dit vertrouwen gaan organiseren. Het gevoel van wantrouwen kunnen we niet aanwijzen. We zijn gewend om te organiseren en dus gaan we organiseren. We gaan met elkaar afspreken dat risico’s gedeeld moeten worden, dat al het handelen doorzichtig moet zijn, dat verantwoordelijkheden gedeeld moeten worden, dat we werken op basis van een open calculatie, dat kennis voor iedereen toegankelijk moet zijn, dat iedereen betrokken moet worden (en moet zijn), etcetera. En dus organiseren we dat wat er niet is, en er wel zou moeten zijn. En normaal gesproken werkt dat ook! Maar was het niet juist het organiseren van elke handeling en activiteit dat vertrouwen de nek om draaide, niet omdat we dat wilde maar als bijwerking? Waarom verwachten we dan dat het organiseren van vertrouwen tot vertrouwen leidt? We zetten haar alleen maar expliciet aan de zijlijn: ze moet aanwezig zijn en mag mooie sier maken. Ze wordt onze gezelschapsdame. En uiteraard leggen we dan vast welke rol ze speelt, zodat ze niets kan doen wat niet te voorspellen, te doorzien, of te verantwoorden is.

* De stelling van de maand dient als discussiestuk en verkondigt waarheid noch persoonlijke mening van de auteur. In de stelling wordt gebruik gemaakt van het eclectisme. Dit is een door Jacomijn Hendrickx geïntroduceerde vorm van filosofie waarbij gesnoept kan worden van de ideeën van verschillende filosofen waarbij deze samen gevoegd kunnen worden op een wijze die de denker zelf bevalt waarin geen recht meer gedaan hoeft te worden aan de originele idee. Dit alles heeft tot doelstelling om het denken te scherpen, nieuwe perspectieven te creëren en discussies aan te zwengelen.

Juli: rechtmatig onderzoek

Er is geen noodzakelijk relatie tussen vrijheid van onderzoek en vrijheid van publicatie.


Vanochtend stond op de voorpagina van de Trouw het bericht dat de producent van de OV-chipkaart de wetenschappers van de universiteit voor het gerecht daagt om publicatie van het rapport betreffende de kraak van deze kaart tegen te gaan. Uiteraard beschrijft het artikel weinig achtergrond. Zo is niet duidelijk of er sprake is van een vrijwillig onderzoek of dat er sprake is van onderzoek in opdracht van. Uit het artikel blijkt ook niet waarom het bedrijf de publicatie wil tegen gaan. De wetenschappers verweren zich dat de openheid en onafhankelijkheid van wetenschappelijk onderzoek op deze wijze onder druk komt te staan. Los van dit gebrek aan achtergronden kun je bij een dergelijk artikel heel wat (filosofische) vragen stellen. Laat ik eens van wal steken.

Stel, de kraak is op eigen initiatief van docenten en studenten van de universiteit uitgevoerd, zonder dat zij de producent hiervan op de hoogte hebben gesteld. In hoeverre is hun daad dan een wetenschappelijke daad en/of een criminele daad? Geeft het label ‘universiteit’ het recht om deze chip te kraken als ieder ander voor dezelfde daad gestraft zou worden? Heb je als wetenschapper een andere rechtspositie waardoor voor een ander niet-reachtmatig handelen rechtmatig wordt? Gelden voor wetenschappers andere wetten?
Foucault toont dat het onderzoeksterrein en de juiste context waarheid produceert en naar verwachting vinden we deze kraak dus rechtmatig. Ook Bacon, onze grondlegger van het wetenschappelijk onderzoek, zegt dat de wetenschap alles moet mogen en kunnen onderzoeken. Ook hij geeft de wetenschap vrij spel. Hij stelt wel de nodige morele grenzen aan de uitkomst en het resultaat van het onderzoek. Wanneer publicatie of het resultaat zelf niet bijdraagt aan menselijk welzijn of zelfs moreel verwerpelijk is, dan moet het wel gearchiveerd worden maar niet openbaar gemaakt. Het wel of niet publiceren zegt dus niets over de vrijheid van onderzoek.

Dit brengt ons bij de tweede vraag. Moet alles wat uit wetenschappelijk onderzoek naar voren komt openbaar worden gemaakt? Wanneer je een wetenschappelijk bureau onderzoek laat doen, dus in opdracht, moet het rapport dan openbaar worden of is het rapport dan voor het instituut dat de opdracht gegeven heeft? Wie is eigenaar van het onderzoek? En als je onderzoek doet naar eigendom van een ander in hoeverre kan dan de uitkomst van dat onderzoek openbaar zijn?

In de krant wordt het verweer aangevoerd dat de kosten van dit project zo hoog zijn dat wetenschappelijk onderzoek in het kader van dit project en publicatie hierover in het algemeen belang is. Zeker omdat het om overheidsgeld gaat. De vraag die je hierbij zou kunnen stellen is of deze kraak niet heeft bijgedragen aan die hoge kosten? Hoe moeilijk was die kraak, hoe voor de hand liggend, en hoe makkelijk te herhalen? Wegen de kosten op tegen de baten? Het is onmogelijk om een niet-te-kraken systeem te bouwen, net zo zeer dat het onmogelijk is om geld te maken dat niet nagemaakt kan worden. Alleen geldt hier de vraag, in hoeverre wegen de productiekosten van het namaken op tegen de winst van het gebruik van het valse geld? Een OV jaarkaart eerste klas kost zo’n 6000 euro, moet de chipkaart beter beveiligd zijn dan het kaartje dat daar nu voor gebruikt wordt?

Het te-kraken-zijn van een systeem is een vast gegeven, dat hoef je niet te onderzoeken. Hier is geen wetenschappelijk onderzoek voor nodig. Je kunt wel de vraag stellen naar de kosten of de complexiteit van het kraken. Dit is echter geen informatietechnologie maar een economische vraag. Je onderzoekt dan dus de verhouding tussen kosten baten. Dit is een andere vraag. Economie als sociale wetenschap heeft dan wellicht een andere insteek en dus ook een ander resultaat dan informatica als exacte wetenschap. Wat is de maatschappelijke relevantie van dit exacte onderzoek? En waar baseer je dat op? Zou je wellicht ook kunnen stellen dat dit onderzoek juist niet heeft bijgedragen maar juist een probleem heeft gecreëerd? Het openbaar maken maakt de kraak reproduceerbaar en daardoor draagt ze bij aan misbruik van de kaart.

Een ander aspect wat je hierbij zou kunnen betrekken is de focus van de producent en het onderzoek. Natuurlijk is misbruik, diefstal, etcetera een gegeven. Het grootste gedeelte van de mensheid is echter eerlijk en wil graag voor de diensten en producten die hij afneemt betalen. Waar wil je als bedrijf en als overheid je aandacht en je geld op richten, op de welwillende mens of op de relatief kleine groep die niet-welwillend is? Waar heeft dit onderzoek nu aan bijgedragen? En is dit wel zo maatschappelijk relevant?

Juni: Verkopen

Kritiek en commentaar zijn (g)een goed uitgangspunt voor verkoop

In deze onrustige periode waarin ik wordt afgeleid door verbouwingsperikelen en mijn aandacht moet richten op verkoop, wat niet mijn sterkste kant is, zijn er vele thema’s die door mijn hoofd spelen. Verbouwen is het ultieme projectmanagement, met milestones, afhankelijkheden en onverwachte gebeurtenissen. Uiteraard speelt goede communicatie hierin een belangrijke rol. En natuurlijk blijkt dit nog niet zo eenvoudig. Vele leefwerelden botsen waardoor misverstaan voor de hand liggend is.
Gezien het feit dat deze verbouwing ons best goed afgaat zal ik mijn stelling wijden aan dat waar ik niet zo goed in ben: verkoop. Zijn er filosofen die iets schrijven over verkoop of over verleiden, of moet ik het wellicht eerder zoeken in overtuigen. De ander ongelukkig praten en dan de remedie aanbieden is wellicht ook een optie. Bescheidenheid en zelf ook niet weten wat het juiste of beste is, is misschien wel een goede eigenschap voor een filosoof maar niet voor een verkoper.

Met Girard onder de arm gaan verkopen betekent dat ik in moet spelen op de begeerte. De mens kan alleen begeren wat een ander begeert en deze ander moet staan voor het goede leven. Concreet betekent dit dat je in verkoopactiviteiten inzichtelijk moet maken wie al gebruik maakt van je product. Voor Aristeia betekent dit dat ik je inzicht moet geven in de bedrijven en mensen die al vol vertrouwen en met grote tevredenheid met Aristeia zaken doen of reeds zaken hebben gedaan.

Met Schopenhauer als leermeester kom ik uit bij de kunst van het gelijk krijgen en de kunst van het verleiden. De kunst van het gelijk krijgen leert mij niet alleen alle trucks om zelf gelijk te krijgen, maar ook vooral dat de meeste mensen er niet zo goed tegen kunnen als ze zelf geen gelijk hebben. Mensen aanspreken op hun bedrijfsvoering of hun niet juiste denk- en handelwijze is dan niet zo wijs als je wilt verkopen. Maar ja, het is ook weer algemeen bekend dat het kweken van een gevoel van onvermogen best handig is als je wilt verkopen, zeker als het te verkopen product ondersteunt om dit onvermogen op te heffen. Voor Aristeia zou dit betekenen dat ik potentiële klanten het gevoel moet weten te geven, zonder ze te betichten van hun ongelijkheid, dat binnen hun organisatie constant op gelijke wijze wordt gedacht en dat daardoor dus steeds gelijksoortige problemen en oplossingen ontstaan. Hierdoor is het bedrijf niet echt in staat om iets nieuws te creëren, lost ze haar problemen nooit echt op en weet ze ze zich niet echt te onderscheiden van de concurrent en daarbij kan ze maar beperkt inspelen op een veranderende markt. En natuurlijk moet ik hier één van de producten van Aristeia als oplossing tegenoverstellen. En uiteraard ben ik er dan van overtuigd dat Aristeia werkt!

Schopenhauer biedt ook de kunst van het verleiden, een boekje met verzamelde teksten van Schopenhauer over de vrouw. Al met al is dit niet een erg opbeurend boekje wanneer je dit als vrouw leest. Dus wat ik hier, met mijn blik op verkoop nu aan heb? Ik zou mijzelf als vrouw niet meer serieus kunnen nemen, maar dat lijkt me een niet zo goede start voor verkoop. Ik zou een gelijksoortig iets kunnen schrijven of bedenken over organisaties en ze dan uiteindelijk liefhebben. Zoals Schopenhauer van zijn vrouw(en) hield, vol commentaar maar uiteindelijk eindigt hij met een lofrede. Maar ja of jij me dit zo in dank zult afnemen? Wellicht is dit iets voor mijn blog. Deze heb ik al even niet meer gevuld, ik zal er mijn gedachten eens over laten gaan.

Uiteraard kan ik het al oude experiment van Bacon van zolder halen. Stuur wat mailingen rond, nodig anderen uit voor een etentje, bel weer anderen op, om er zodoende achter te komen wat nu welk effect heeft. De eerste mailing is al de deur uit, voor de zomerworkshops. Allemaal inschrijven natuurlijk!!!! Nu nog zo’n mailing over teambuilding waar ik Champagne bij ga uitdelen en dan natuurlijk Corporate Philosophers. Passend in deze tijd kan ik dan ook vragen om dit soort informatie door te sturen aan bekenden, dan krijg je zo’n mooi netwerk. Aanbevolen worden blijkt ook altijd weer beter te werken dan jezelf aanbevelen. En passend bij Bacon moet ik dan kijken welke aanpak het beste werkt. Dewey zal wellicht niet zo systematisch te werk gaan. Hij zegt dat je een actie moet inzetten om dan te kijken of je het gewenste resultaat hebt bereikt. En zo niet dan moet je iets anders gaan doen. De definitie van de domheid - hetzelfde doen en hopen dat er iets anders uit komt - zou van zijn hand kunnen zijn.

En bij al deze activiteiten moet ik natuurlijk de ethos, de pathos en de logos van Aristoteles niet vergeten. De ethos gaat over mij zelf, ben ik als persoon betrouwbaar en goed geëquipeerd voor de werkzaamheden die ik aan de man wil brengen. De logos zet me aan tot een goed verhaal waaruit toch op zijn minst moet schijnen dat ik waarheid spreek en/of het goede doe. En zo stond ik toch vandaag weer met mijn mond vol tanden toen de tegelzetter vroeg - nadat hij gelezen had dat ik filosofe ben - wat een filosoof eigenlijk doet. Ik moet dus kunnen vertellen wat Aristeia biedt en waarom dat dit waardevol is. En uiteraard moet ik dan weten waar de ander behoefte aan heeft. En zo ben ik dan bij de pathos, deze gaat namelijk ook over de ander. Welk gevoel wil ik bij hem/haar wakker maken? Uiteindelijk moet het leiden tot een goed gevoel. Het gevoel van een goede samenwerking en een goed resultaat. Maar ja, dat ligt na de verkoop. Dus in ieder geval vertrouwen want dat gaan aan iedere samenwerking vooraf.

Mei: Alle tijd

Zonder de ander heb je alle tijd.

In deze tijd van vrije dagen en een volle agenda bekruipt al snel het gevoel van gebrek aan tijd. En dat terwijl tijd een vast gegeven is. Je kunt de tijd die je over hebt niet naar de bank brengen en daar de tijd die je gespaard hebt weer ophalen waneer je tijd te kort hebt. Zo kun je rennen voor de metro en zodoende één metro eerder halen en zodoende één minuut sparen (lees: eerder op je plek van bestemming aankomen), maar wat doe je dan met die gespaarde minuut? Zo is het regelmatig tijd om naar huis te gaan. Maar wat zegt die tijd dan? Waarom is half elf geen geschikte tijd om naar huis te gaan en elf uur wel? En is voor de één vijf uur een geschikte tijd om op te houden met werken terwijl een ander dan nog rustig twee uur kan doorwerken. En beiden vinden het dán tijd (vijf uur en zeven uur) om naar huis te gaan.

Tijd is een wonderlijk fenomeen. Is ze een constructie van ons denken of is ze in de werkelijkheid aanwezig of is ze een afgeleide van onze waarneming? Mijn bovenstaande inleiding toont in ieder geval dat ze veel betekenis krijgt toegekend en regelmatig als ‘excuus’ wordt gebruikt.

Nishida ziet tijd als een constructie van ons denken. Onze waarneming en de werkelijkheid zijn niet gebonden aan tijd. Er is alleen een nu - het heden -. Wanneer we iets intensief beleven, bijvoorbeeld een theatervoorstelling of concert dan verliezen we zelfs elk besef van tijd. Maar ook geconcentreerd bezig zijn kent geen tijd. Volgens Nishida ontstaat de tijd pas wanneer we constateren dat er een verandering in de wereld is opgetreden die we niet meer kunnen rijmen. We creëren dan het fenomeen tijd. Gisteren was het anders, maar nu telt dat niet meer. Zeker wanneer deze veranderingen betrekking hebben op ons eigen denken - het veranderen van mening - biedt tijd de mogelijkheid om deze verandering toch als eenheid te aanvaarden.

Ook Kant stelt vragen bij de tijd. Bestaat de tijd ook wanneer we de wereld niet aanschouwen? Hij legt de relatie tussen waarneming en tijd. Hij concludeert dat we de tijd zelf - gelijktijdigheid en opeenvolging - niet als zodanig kunnen waarnemen. We kunnen tijd alleen waarnemen doordat we zaken waarnemen die elkaar opvolgen. We kunnen dit alleen omdat we een a priori besef van tijd hebben. In tegenstelling tot Nishida gaat de tijd dus aan onze waarneming vooraf. Volgens Kant ordenen we onze ervaringen in de tijd. Volgens Nishida construeren we tijd om onze conflicten op te lossen.

Maar geen van beiden zeggen iets over ‘vandaag heb ik geen tijd’, of ‘nu is het tijd om te gaan’. In deze formuleringen heeft tijd een heel andere functie. Ze dient het denken noch de waarneming. Tijd dient hier de intermenselijke contacten, het samen werken. Wanneer er geen ander is, dan verliest deze tijd haar waarde. Overigens verklaart dat nog niet waarom we de tijd, te pas en onpas, als excuus gebruiken om onder afspraken uit te komen of om een feestje te verlaten. Terwijl niets zo makkelijk is om gewoon te zeggen: ik ga want het is genoeg geweest. Net alsof de tijd buiten onszelf ligt en het vertrek dus niet aan onszelf te wijten is, terwijl we zelf die tijd creëren.

* De stelling van de maand dient als discussiestuk en verkondigt waarheid noch persoonlijke mening van de auteur. In de stelling wordt gebruik gemaakt van het eclectisme. Dit is een door Jacomijn Hendrickx geïntroduceerde vorm van filosofie waarbij gesnoept kan worden van de ideeën van verschillende filosofen waarbij deze samen gevoegd kunnen worden op een wijze die de denker zelf bevalt waarin geen recht meer gedaan hoeft te worden aan de originele idee. Dit alles heeft tot doelstelling om het denken te scherpen, nieuwe perspectieven te creëren en discussies aan te zwengelen.

April: begrijpen en denken

Woorden en hun betekenis zetten aan tot denken omdat echt begrijpen toch niet mogelijk is.

Taal is toch wel een wonderlijk fenomeen. “Wil je deze cijfers even laten bekijken” heeft in een medische wereld, een bestuurlijke omgeving of een klas op school heel verschillende betekenis, sterker nog, ze zouden ook dezelfde betekenis kunnen hebben, maar is het dan echt dezelfde betekenis? Toch voelen we binnen de context vaak feilloos aan wat er bedoeld wordt. Wittgenstein is de belangrijkste taalfilosoof en zijn denken in taalspelen is een boeiend ‘spel’. Hij noemt dit fenomeen het taalspel. De taal die in de ene context ontstaat is niet te vertalen naar een andere context, de taal van een roman is niet te vertalen naar de taal van de filosofie. Alle goede romanschrijvers ten spijt, echt filosofisch wordt hun werk dus nooit.

Dit opsplitsen van de wereld in specifieke taalspelen, lijkt op het disciplineren dat Foucault beschrijft. Er is dan niet alleen sprake van een theoretische horizon (of te wel een vakgebied), waardoor iemand alleen maar iets zinnigs kan zeggen binnen zijn eigen vakgebied, maar ook van de onmogelijkheid om interdisciplinair te, spreken, denken en functioneren. Een filosofisch concept afgeleiden uit romans is dus morosofie omdat de verschillende taalspelen niet met elkaar kunnen communiceren. Je kunt je dus gaan afvragen in hoeverre communicatie binnen een multidisciplinair team (wat ieder directie team per definitie is) dan nog mogelijk is. Dit kan alleen maar als er een gezamenlijk taalspel wordt ontwikkeld waarin een hoge mate van overlap met verschillende taalspelen ontstaat. Dit doet denken aan het plaatje uit de wiskundeles over verzamelingen en deelverzamelingen. Als je vijf verschillende vakgebieden hebt, moet de algemene directie dan de totaal verschillende taalspelen volledige omvatten of hoeft dat maar een klein stukje? Wat is nodig om elkaar te verstaan?

Nog zo’n leuk taalspel-probleem: het begrijpen van oude filosofen, bijvoorbeeld de voorsocratici. In hoeverre ben ik (of wij in deze tijd) in staat om hun ideeën überhaupt te begrijpen. Wij leven in een wereld waarin woorden vooral een letterlijke betekenis hebben. De voorsocratici beschrijven de wereld heel figuurlijk, wanneer zij vuur (of zo je wilt: water of aarde) zien als basis van al het bestaan, dan gaat het niet om vuur zoals dat in vlammen aan ons verschijnt, maar om een figuurlijke betekenis van het woord, als energie, spirit, etcetera. Het bijzondere wat dan ontstaat is dat water en vuur bijna dezelfde betekenis krijgen. Uiteraard kan ik daar prachtige betekenissen aan geven maar wat dat zegt over wat zij toen gedacht en bedoeld hebben, dat blijft altijd onduidelijk.



Tot slot kun je je natuurlijk afvragen: is het erg dat we elkaar zo beperkt kunnen begrijpen? Uiteraard moet je hier dan heel pragmatisch een doel aan koppelen tenzij je deze vraag ethisch wil beantwoorden (hoewel dit ook weer een specifiek referentiekader vraagt). In een praktische context lijkt vertrouwen de lacune op te vullen, we vertrouwen erop dat de ander weet waar hij het over heeft. En filosofisch, ik weet niet of het erg is als je tekst niet kunt begrijpen zoals de filosoof hem heeft geschreven. Filosofisch gezien is het waardevol als de tekst aan het denken zet, nieuwe vragen oproept en nieuwe perspectieven biedt. Als het zuiver om het begrijpen van de oorspronkelijke tekst met haar betekenis gaat, dan verwordt de liefde voor de wijsheid een zuivere weten-schap, alleen maar weten zonder zelf te denken. En wellicht kan deze gedachtengang worden doorgetrokken naar al het begrijpen. (Niet) begrijpen wordt dan een aanleiding om zelf te gaan denken en het is dus geen start in de zoektocht naar het zeker willen weten wat een ander bedoelt. Dit is dan louter een herhalen van woorden zonder dat ze werkelijk begrepen (kunnen) worden.

* De stelling van de maand dient als discussiestuk en verkondigt waarheid noch persoonlijke mening van de auteur. In de stelling wordt gebruik gemaakt van het eclectisme. Dit is een door Jacomijn Hendrickx geïntroduceerde vorm van filosofie waarbij gesnoept kan worden van de ideeën van verschillende filosofen waarbij deze samen gevoegd kunnen worden op een wijze die de denker zelf bevalt waarin geen recht meer gedaan hoeft te worden aan de originele idee. Dit alles heeft tot doelstelling om het denken te scherpen, nieuwe perspectieven te creëren en discussies aan te zwengelen.

Maart: Zeggenschap

Begin april staat de masterclass over macht in organisaties op het programma. Als appetizer volgt hier een klein filosofisch avontuur in het licht van macht, machteloosheid en zeggenschap. Laat je verleiden tot nieuwe avonturen (oké, in gedachten dan). De vraag die op het einde dan blijft staan... kun je zonder macht verschil maken...

Zeggenschap is zeer wenselijk maar wanneer het over de ander gaat, is de wenselijkheid niet langer gewenst.


Om te beginnen creëren we natuurlijk de wereld zonder macht, dus geen macht over jezelf en geen macht over de ander. Nu kan dat wat vriendelijker geformuleerd worden, namelijk als volgt: geen zeggenschap over jezelf en geen zeggenschap over de ander. Volgens mij kan dit alleen maar binnen het determinisme. De wereld en het handelen is dan noodzakelijk bepaald omdat niemand ook maar op enige manier hier zeggenschap, invloed of macht op kan uitoefenen. Alles is een noodzakelijk gevolg van dat wat vooraf ging. Verandering ontstaat door een oorzaak-gevolg-relatie en niet als een afgeleide van menselijk en intentioneel ingrijpen. Is er dan nog wel sprake van verandering? Spinoza toont hoe onze verbeelding alleen maar de indruk weet te wekken dat we zeggenschap hebben, omdat we namelijk niet begrijpen wat ons aangrijpt. Hij weet dus een wereld te creëren zonder macht. Het is een wereld van noodzakelijkheden.

Vervolgens creëren we de wereld met macht, dus macht over jezelf en macht over de ander. Ook dit kan vriendelijker geformuleerd worden, namelijk zeggenschap over jezelf en zeggenschap over je de ander. Nu hebben we doorgaans niet zo veel moeilijkheden met zeggenschap over jezelf. Het wordt echter vaak als een groot probleem ervaren als iemand geen zeggenschap heeft over zichzelf. Bij zeggenschap over de ander werkt het precies andersom. Iemand die zeggenschap heeft over een ander wordt al snel beticht van machtsmisbruik en dus is de ander het slachtoffer. En het wil ook nog wel zo zijn dat we vinden dat iemand over zich heen laat lopen of onvoldoende geëmancipeerd is. Kortom we moeten wel macht over onszelf hebben, maar ons verre houden van macht over een ander én voorkomen dat een ander zeggenschap over ons krijgt omdat we daarmee de zeggenschap over onszelf verliezen. Hoe zit het dan met de persoonlijke keuze om te doen wat een ander zegt? Wie heeft hier dan zeggenschap?

Wat is nu wenselijk, een wereld zonder zeggenschap of een wereld met zeggenschap? Wat willen we zijn? Volledig bepaald, slachtoffer, dader, geëmancipeerd? Vrij en ongebonden! Zodat we alleen iets over onszelf te zeggen hebben en niets over de ander en de ander niets over ons. Maar hoe komen we dan tot samenwerken, tot teamwork? Dit kan dan alleen wanneer er sprake is van volledige overeenstemming. Samenwerking veronderstelt dan de aanwezigheid van hetzelfde, alleen mensen die hetzelfde denken en zijn komen dan - zonder macht en zeggenschap - tot een resultaat. Wat is het team dan meer dan het individu als iedere persoon meer van hetzelfde is?


* De stelling van de maand dient als discussiestuk en verkondigt waarheid noch persoonlijke mening van de auteur. In de stelling wordt gebruik gemaakt van het eclectisme. Dit is een door Jacomijn Hendrickx geïntroduceerde vorm van filosofie waarbij gesnoept kan worden van de ideeën van verschillende filosofen waarbij deze samen gevoegd kunnen worden op een wijze die de denker zelf bevalt waarin geen recht meer gedaan hoeft te worden aan de originele idee. Dit alles heeft tot doelstelling om het denken te scherpen, nieuwe perspectieven te creëren en discussies aan te zwengelen.

Het doel maakt tot robot

Zakelijke doelstellingen maken de mens tot robot en ze miskennen daarbij de eigen context.

De zakelijke context staat bol van doelstellingen en te behalen resultaten. Dit is een open deur. Op zich is het echter wonderlijk wanneer blijkt dat we ook nog in staat zijn om de gestelde doelstellingen te realiseren. Tenzij die doelstellingen niet meer zijn dan een reële verwachting van het resultaat binnen een niet substantieel veranderende wereld. Met andere woorden, als we niet expliciet zouden sturen op doelstellingen, dan zouden we hetzelfde resultaat behalen. Of toch in ieder geval, zullen de resultaten hier niet substantieel van afwijken.

Zijn we dan niet in staat om concrete doelstellingen of resultaten te realiseren? Natuurlijk wel! Bacon en Dewey tonen een wereld waarin dat zeer goed mogelijk is. Bacon stelt dat we alles kunnen maken en/of realiseren, mits we maar over het juiste instrument beschikken. Ook Dewey legt de maakbare wereld in de handen van elk individu. En als de wereld er dan niet uitziet zoals je hem hebben wilt, dan heb je gewoon niet het goede gedaan. Dewey gelooft niet in instrumenten omdat de wereld altijd verandert en een instrument dus maar een zeer beperkte geldigheid heeft. Hij verdiept zich in het resultaat en blijft alsmaar anders handelen totdat het resultaat is behaald. Ook the Secret creëert een wereld waarin de mens zijn eigen leven kan maken.

Het zijn niet deze perspectieven die aanzetten tot verwondering ten aanzien van het kunnen realiseren van gestelde resultaten. Het is de interactie tussen mensen die maakt dat ieder voorspelling en daarmee doelstelling twijfelachtig wordt. Het instrument van Bacon, de methode van the Secret en de werkwijze van Dewey veronderstellen dat de mens relatief geïsoleerd functioneert. Hannah Arendt noemt dit: werken of techniek van het Griekse techne. En de grote vraag is dan: functioneert een mens - een organisatie - geïsoleerd? Op zich kun je stellen dat een productieproces een geïsoleerd proces is, zelfs als hier meerdere mensen aan werken. Het is een gestandaardiseerd repeterend proces met een zeer voorspelbare uitkomst. En hiermee is het een techniek.

Veel activiteiten die bepalend zijn voor de resultaten van een organisatie hebben daarentegen niets meer van doen met geïsoleerde processen. Ze vinden namelijk plaats tussen mensen, waarbij mensen beslissingen nemen, betekenis geven en waarderen. Het resultaat is niet meer te voorspellen. Een doelstelling kan dan nog wel een referentiekader vormen, zoals Machiavelli dat formuleert, maar de betekenis en de waarde van die doelstelling is geen techniek maar een menselijke interpretatie. Het is ook maar de vraag of er overeenstemming bestaat over de wijze waarop de doelstelling het beste gerealiseerd kan worden. Deze wereld van menselijke interactie noemt Hannah Arendt het handelen.

Dit handelen bepaalt ook de context van een organisatie. De wereld van een organisatie bestaat immers niet alleen uit het productieproces maar ook uit verkoop, concurrentie, beeldvorming, politiek- en economisch klimaat, marktwerking, etcetera. En dit vindt plaats in de menselijke interactie, we handelen met een niet te voorspellen resultaat. Dit menselijk handelen maakt het praktisch onmogelijk om vooraf vastgestelde resultaten te behalen. Dit kan alleen maar als al het handelen tot een techniek wordt. Zijn wij dan in de arbeidsomgeving niets anders dan robots? Of zijn onze doelstellingen niets anders dan statische trends waardoor we ze altijd wel zullen realiseren of waar we toch op zijn minst niet ver van zullen afdwalen, mits we maar ongeveer hetzelfde blijven doen en de omgeving niet substantieel verandert?

* De stelling van de maand dient als discussiestuk en verkondigt waarheid noch persoonlijke mening van de auteur. In de stelling wordt gebruik gemaakt van het eclectisme. Dit is een door Jacomijn Hendrickx geïntroduceerde vorm van filosofie waarbij gesnoept kan worden van de ideeën van verschillende filosofen waarbij deze samen gevoegd kunnen worden op een wijze die de denker zelf bevalt waarin geen recht meer gedaan hoeft te worden aan de originele idee. Dit alles heeft tot doelstelling om het denken te scherpen, nieuwe perspectieven te creëren en discussies aan te zwengelen.

Het managen van begeertes

De kern van succesvol ondernemerschap bestaat uit het managen van begeertes: je eigen begeertes verzwijgen en die van een ander aanwakkeren.


In deze stelling licht ik een stukje van de sluier van René Girard op. Eén van de zaken die hij belicht is de menselijke begeerte. Hij beschrijft de driehoeksbegeerte. Hiermee maakt hij inzichtelijk hoe de menselijke begeerte functioneert en hoe ze de contacten en samenwerken beïnvloedt. Nu lukt het natuurlijk nooit om dit in een paar honderd woorden volledig uit de doeken te doen dus daarom maar even een kort eclectisch tipje van de sluier.

De driehoeksbegeerte toont de rol van het Ik, de Ander en het Begeerde. Ik kan alleen maar iets (het Begeerde) begeren als iemand anders (de Ander) het begeert. Omdat Ik mij op één of andere wijze identificeer met de Ander, wil Ik wat de Ander wil.

Nu blijk Ik mij niet als enige te identificeren met de Ander maar vele anderen doen dat ook. Het Begeerde wordt dus door steeds meer mensen begeerd. En hoe meer Anderen het begeren hoe interessanter het Begeerde wordt. De begeerte is buitengewoon besmettelijk, zoiets als vogelgriep. De beste reclame bestaat eruit om iedereen te doen geloven dat de Ander het product begeert, waardoor iedereen het hebben wil.

Als Ik dus mijn eigen doelen wil realiseren, of in deze terminologie: mijn eigen begeertes wil verkrijgen (realiseren) dan doe Ik er goed aan om de concurrentie zo veel mogelijk uit te bannen. Ik mag dan op geen enkele wijze aan de Ander laten doorschemeren wat wordt begeerd. Anders wil hij het ook! En hoe meer mensen het willen hoe groter de strijd om het te verkrijgen. Hoe moeilijker het dus wordt om dit te realiseren.

De besmettelijkheid van de begeerte kan Ik natuurlijk ook gebruiken. Waarschijnlijk zijn er meerdere stappen voor nodig om de begeerte te realiseren en kan Ik het naar alle waarschijnlijkheid ook niet alléén realiseren. Ik moet dan gaan nadenken over dat wat een Ander moet begeren om het realiseren van Mijn begeerte te vereenvoudigen. Vervolgens moet Ik dat gaan begeren, zodat de Ander dat ook wil (hier draaien we dus de driehoek om). Uiteraard moet Ik dan natuurlijk wel goed opletten dat Ik niet in de eigen val trap, waardoor Ik dat laatste ga begeren en niet de eerdere doelstelling.

Dit maakt meteen duidelijk waarom geld zo’n algemeen goed is en tegelijkertijd zo schaars: iedereen wil het hebben en dus is het begerenswaardig. Ook toont het waarom vertrouwen zo weinig aanwezig is omdat de besmettelijkheid van de begeerte direct leidt tot concurrentie, niemand wil een concurrentiestrijd omdat hij niet wil strijden voor het Begeerde en iedereen weet dat het zo functioneert.


* De stelling van de maand dient als discussiestuk en verkondigt waarheid noch persoonlijke mening van de auteur. In de stelling wordt gebruik gemaakt van het eclectisme. Dit is een door Jacomijn Hendrickx geïntroduceerde vorm van filosofie waarbij gesnoept kan worden van de ideeën van verschillende filosofen waarbij deze samen gevoegd kunnen worden op een wijze die de denker zelf bevalt waarin geen recht meer gedaan hoeft te worden aan de originele idee. Dit alles heeft tot doelstelling om het denken te scherpen, nieuwe perspectieven te creëren en discussies aan te zwengelen.

We plaatsen cookies, zo min mogelijk en altijd anoniem.