Aristeia Omdat de werkelijkheid te denken geeft

beeld en werkelijkheid

Ons spreken kost veel tijd en levert hoogstens een prachtig beeld op.


Het algemene beeld op de relatie tussen mens, organisatie en wereld dat aan de basis van onze besluitvorming ligt, lijkt weinig te maken te hebben met de praktijk van alle dag. Je kunt je tegenwoordig met recht afvragen wie de machtige is en hoe de directie van menig bedrijf zo dom is dat zij zich niets gelegen laat liggen aan zijn omgeving. Of misschien is dit wel een klein pleidooi om bij de aanschaf van de kerstcadeaus eens maatschappelijk verantwoord te consumeren.

Laten we maar even met de macht beginnen. Traditioneel wordt de relatie tussen medewerker en werkgever gezien zoals Marx ons deze wist voor te spiegelen. We hebben het dan over de situatie waarin de medewerker wordt uitgebuit en in slechte omstandigheden zorgt voor enorme winsten voor de werkgever. Het beeld van de uitbuitende werkgever is niet verdwenen. De inrichting van de huidige arbeidsrelaties is echter duidelijk anders. De werknemer weet zich via zijn werk persoonlijk te ontplooien, status te verwerven, zich te onderscheiden en zijn persoonlijke verdiensten fors te laten groeien doordat hij door jobhoppen een hoger salaris kan realiseren.
Hier kan nog aan toegevoegd worden dat een werknemer zijn contract eenvoudig kan verbreken, terwijl een werknemer hier hemel en aarde voor moet bewegen (bijna failliet te zijn, dan wel aan te kunnen tonen dat de medewerker zeer slecht werk verricht). Ieder ander ontslag levert de medewerker een financiële genoegdoening op. Wie buit wie nu uit? En wie heeft hier de macht?

In de jaren vijftig van de vorige eeuw stelde Friedman dat maatschappelijk verantwoord ondernemen het einde van de onderneming zou inluiden. Onze focus voor het verantwoord ondernemerschap lijkt hier lijnrecht tegenover te staan. Hoe zeer we ook ons best doen om goed te schijnen is het onmogelijk om te bepalen, zeker bij multinationals, hoe goed ze het doen. Lokaal ondernemerschap gaat echter bij iedere ondeugdelijke stap ten gronde. De roddel (en de mond tot mond reclame) doet haar werk buitengewoon efficiënt. Als de lokale ondernemer niet maatschappelijk betrokken is of slecht voor zijn personeel is, dan kan hij zijn toko gauw sluiten.

De beeldvorming ten aanzien van MVO lijkt vele malen belangrijker dan de werkelijke activiteiten. Het verwordt hiermee tot reputatie en heeft niets te maken met juist handelen. Sterker nog, je zou je kunnen afvragen in hoeverre we Marx echt willen kennen. De arbeidsomstandigheden in de lage-loon-landen lijken erg op die van ons ten tijde van Marx. Maar dit zet maar weinigen aan tot verantwoord ondernemerschap, of verantwoord koopgedrag. Waar blijven we nu met ons MVO? Toch maar gewoon een beetje marketing van de grote bedrijven waarvan het hele productie proces niet meer te achterhalen is, terwijl de lokale ondernemer niets anders kan dan verantwoord ondernemen omdat zijn daden letterlijk en figuurlijk door de buurt gezien worden?

De ideeën op basis waarvan bedrijven beoordeeld worden, lijken niets te maken te hebben met de werkelijke manier waarop het samenwerken tot stand komt. Je zou je dus kunnen afvragen of al die discussies die hier betrekking op hebben, en de vele pagina’s die we hier mee volschrijven niet volledig zonde van tijd en materiaal zijn, waaronder natuurlijk het papier wat je gebruikt om deze stelling af te drukken en de tijd die ik eraan besteed heb om hem te schrijven.

* De stelling van de maand dient als discussiestuk en verkondigt waarheid noch persoonlijke mening van de auteur. In de stelling wordt gebruik gemaakt van het eclectisme. Dit is een door Jacomijn Hendrickx geïntroduceerde vorm van filosofie waarbij gesnoept kan worden van de ideeën van verschillende filosofen waarbij deze samen gevoegd kunnen worden op een wijze die de denker zelf bevalt waarin geen recht meer gedaan hoeft te worden aan de originele idee. Dit alles heeft tot doelstelling om het denken te scherpen, nieuwe perspectieven te creëren en discussies aan te zwengelen.

November: drie filosofische avonturen

Volgende week staat de masterclass Vrouwe Fortuna op het programma. Als appetizer volgen hier drie filosofische avonturen in het licht van vrijheid, noodzakelijkheid en het lot. Probeer de ingezette gedachtengang eens verder door te zetten en laat je verleiden tot een nieuw avontuur (oké, in gedachten dan) De stelling is gewoon een samenraapsel van de drie avonturen:

De flexibele mens is gelukkig in een nieuwe omgeving.


Je kent dat gevoel wel, dat gevoel van “waarom doen mensen nu gewoon niet wat ik wil”. Of laat ik het iets anders formuleren “waarom doen mensen niet gewoon wat nodig is”. Je ergernis, onbegrip of verwondering slaat toe en je wordt tot het uiterste gedreven om je creativiteit, overredingsvermogen en macht te gebruiken om mensen te bewegen het goede te doen.
Maar stel je nu eens voor dat mensen wel gewoon doen wat nodig is, of beter: doen wat jij vindt dat nodig is. Dat de ander makkelijk van gedachten verandert, zijn werkzaamheden aanpast en zijn activiteiten opnieuw vormgeeft al naar gelang hierom gevraagd wordt. Kortom: de flexibele mens!
Wat heerlijk, nieuwe ideeën worden vol enthousiasme onthaalt, omgezet in plannen en deze nieuwe plannen worden zonder morren uitgevoerd. En deze onvolprezen kwaliteit geldt dan natuurlijk ook voor jezelf! Ook jij reageert enthousiast, bent makkelijk te vinden voor nieuwe ideeën en plannen. En bent eenvoudig van gedachten te veranderen omdat ideeën het waard zijn om werkelijkheid te worden.

Geluk is het hoogste goed! Mill weet dat zo te formuleren: het grootste geluk voor allen. Laten we dat grote geluk nu maar even beperkt houden tot onze directe omgeving, dat is wat eenvoudiger voor te stellen. Bedenk je een kleine kring van dierbaren (gezin, familie, vrienden). Verbeeld je dat je de mogelijkheid hebt om hun leven en je eigen leven vorm te geven...
Welke lotgevallen en welk fortuin zou je over ze uitstrooien? Of zou je dat überhaupt niet doen? Zou je ze een wereld geven die ze zelf kunnen creëren en naar hun hand kunnen zetten? Welke mensen laat je ze ontmoeten en waarom die? of laat je dit liever aan het moment over? Bedenk wel: het gaat om geluk, niet dat ze geluk hebben, maar gelukkig zijn. Wat zou je ze schenken, als je ze het geluk niet als zodanig kunt geven? En zet je gedachten voort in de toekomst, want het gaat wel om een leven lang gelukkig.

Je raakt betrokken bij een ongeluk en komt bij in een ziekenhuis in een stad die je niet kent. Je wordt bezocht door mensen die je volledig onbekend zijn, maar zij beweren je directe familie te zijn. Je krijgt bloemen en fruit bezorgd, maar het bedrijf waar ze vandaan komen zegt je niets. Mensen vertellen je verhalen uit je verleden, wat voor je gevoel je eigen verleden niet is.
Je hebt wel herinneringen, maar deze passen niet op je omgeving die je nu voorgespiegeld krijgt. Je directe relaties uit je herinneringen zijn anderen dan diegenen die nu naast je bed staan. Je gedachten zijn duidelijk strijdig met de wereld die om je heen geschapen wordt. Je wordt ontslagen uit het ziekenhuis en wordt naar huis gebracht: een huis dat je niet kent...
Voel je je bevrijd omdat je kunt breken met je verleden of voel je je gevangen omdat je moet leven naar de standaarden van je nieuwe omgeving?
Ga je op zoek naar je eerder bestaan of begin je graag een nieuw leven?
Ben je gebonden aan je verleden of kun je gewoon opnieuw beginnen?

Oktober: Identiteit schept eenheid

De vraag naar het bestaan van een gedeelde identiteit wordt beantwoord door haar te stellen.


Hoezeer ik mij - in de stelling van de maand - niet wil mengen in maatschappelijke discussies, laat ik mij nu toch even verleiden om te spreken over identiteit en over gedeelde identiteit. Ik wil hier niet zoeken naar argumenten voor of tegen en me afvragen wie er gelijk heeft. Ik ga gewoon eens kijken wat er zoal geschreven is over identiteit of over eenheid.

Nishida schrijft over unity en over de eenheid-scheppende kracht. Het zit in de aard van de mens om eenheid te scheppen. Een mens kan niet functioneren in een strijdende omgeving. Om deze eenheid te scheppen zal de mens zoeken naar het overeenkomstige. Wanneer tussen het nieuwe en het bestaande geen overeenkomst te vinden is dan zal het nieuwe ontkend worden. Deze ontkenning duurt net zolang totdat een punt van overeenkomst gevonden is waardoor het nieuwe zonder conflict kan worden opgenomen in de bestaande unity. Dit eenheid-scheppende vermogen zit in een individu, in een groep, in een samenleving, kortom in alles.
Het spannende in zijn denken zit niet zo zeer in zijn eenheid, maar in het feit dat hij constateert dat strijd alleen maar daar bestaat waar ook eenheid is. We kunnen het strijdige pas zien nadat we eenheid (met hetzelfde) gezien hebben.

Bacon schrijft over de kracht van eenheid, de rariteit van valse eenheid en het risico van schijnconflicten. Eenheid is enorm krachtig. Voor de mensen die deel uitmaken van een eenheid creëert ze zelfvertrouwen, identiteit en rust. De mensen die buiten de eenheid leven, willen graag bij die eenheid horen. Een hechte groep heeft een grote aantrekkingskracht op mensen uit de omgeving.
Jammergenoeg bestaat er ook zoiets als valse eenheid: “in het duister vloekt geen enkele kleur”. Als we niet (mogen, kunnen of willen) spreken over fundamentele verschillen, dan lijkt het erop dat we in eenheid leven, maar dan is dat niet zo. We houden dan onszelf voor de gek.
Ook bestaat er het risico dat een eenheid ten gronde gaat omdat een klein conflict wordt opgeblazen tot een groot conflict waardoor er een crisis ontstaat, die niets meer te maken heeft met het oorspronkelijke - kleine - conflict.

Eenheid kan bewust ondersteund worden met een verhaal. Een verhaal waar ieder individu zich in herkent zonder zijn eigen identiteit te verliezen. Heel wat filosofen hebben de kracht ingezien van godsdienst als gedeeld verhaal. Godsdienst is namelijk niet zomaar een verhaal, ze schept eenheid in fundamentele standpunten en geeft direct richting aan het handelen van mensen. Hierdoor ontstaat een basale eenheid in uitgangspunten en (ritueel) gedrag.

Een persoonlijke identiteit kan past ontstaan wanneer de persoon onderdeel is van een grotere eenheid. Iemand krijgt immers een identiteit doordat hij verschilt binnen een grotere eenheid. Wanneer je als persoon niet wordt herkend (dat waarin je overeenstemt) dan besta je als individu (dat waarin je verschilt) ook niet.

Wanneer we ons dus afvragen of er zoiets bestaat als een gedeelde identiteit (eenheid van een groep mensen) waar we zelf deel van uit maken, dan stellen we de vraag naar ons eigen bestaansrecht als individu. Is er een groep die mij als individu erkent? Of misschien andersom: bestaat er een groep door wie ik als individu erkend wil worden? Het feit dat we deze vragen kunnen stellen ligt besloten in het feit dat we zoiets herkennen als een grotere eenheid. Deze kan alleen bestaan, wanneer we haar al kennen. Waarmee haar bestaan bevestigd is. Haar inhoudelijk formuleren (het ontdekken van het gedeelde verhaal) is een totaal andere opgave. Het vastleggen van dit verhaal miskent bovendien het scheppend vermogen van een eenheid die constant weet te veranderen.

* De stelling van de maand dient als discussiestuk en verkondigt waarheid noch persoonlijke mening van de auteur. In de stelling wordt gebruik gemaakt van het eclectisme. Dit is een door Jacomijn Hendrickx geïntroduceerde vorm van filosofie waarbij gesnoept kan worden van de ideeën van verschillende filosofen waarbij deze samen gevoegd kunnen worden op een wijze die de denker zelf bevalt waarin geen recht meer gedaan hoeft te worden aan de originele idee. Dit alles heeft tot doelstelling om het denken te scherpen, nieuwe perspectieven te creëren en discussies aan te zwengelen.

September: Gemakzucht zorgt voor kwantiteit

Kwantiteit is het resultaat van gemakzucht.

Als je maar gemakzuchtig genoeg bent, dan bereik je vanzelf veel kwantiteit. Wat een prachtige vertaling van deze stelling! Hoe gemakzuchtiger we zijn hoe meer kwantiteit. En je zult het geloven of niet, maar dat is wat hier staat en dat is wat ik wil dat je leest.
De worsteling rondom goede producten, tevreden klanten, goede cijfers, kostenbeheersing, etc. wordt al gauw beslecht met benchmarking, marktonderzoek, kosten-baten-analyses, klanttevredenheidsonderzoeken, etc. waarbij numerieke waarden al gauw de boventoon gaan voeren. Maar zijn we hiermee nu echt in staat om te bepalen of we goed zijn en zo ja, hoe goed we zijn?

Laat ik deze vraag naar goed ondernemerschap, goede dienstverlening en/of goede producten maar eens lukraak vertalen naar de filosofische vraag naar het goede leven. Niet omdat de antwoorden met elkaar te vergelijken zijn, maar omdat de vraag gelijksoortig is. Het is namelijk de vraag naar het goede en deze vraag proberen filosofen al eeuwen te beantwoorden.

Het goede leven valt dan weer onder te verdelen in het juiste en dat wat gelukkig maakt. Iets wat elkaar overigens niet hoeft uit te sluiten. Daarbij brengt een antwoord van het Orakel van Delphi schoonheid en juistheid bij elkaar: Het meest juiste is het mooiste. Het goede leven is dus een vraag naar: juistheid, geluk en schoonheid.

De vraag naar juistheid, of juist handelen heeft ook weer verschillende dimensies: gaat het om de intentie waarmee iemand handelt, gaat het om de handeling of gaat het om het resultaat? En hier zou je ook de vorm nog bij kunnen halen, zoals bijvoorbeeld het handelen volgens de etiquette. Voor Erasmus waren de etiquette rondom de menselijke contacten een absolute voorwaarde voor goed handelen. En daarmee ook voor het goede leven. Volgens Machiavelli kunnen we hier zelfs nog een dimensie aan toe voegen, namelijk de uiterlijke schijn: Het gaat er niet om of je juist handelt maar dat je het juist doet lijken (keeping up appearances).

Het probleem in deze zoektocht naar het goede leven is dat het antwoord nog steeds niet gevonden is. Wel is de problematiek op velerlei wijze belicht en bestudeerd. Het antwoord is gezocht in de eenheid, in het midden, in een goede staatsinrichting, in het zoeken naar de waarheid, in het afzweren van de waarheid, in het leven in vrijheid, in gelijkheid, in de dialectiek, in de synthese, etc. Maar al deze termen zeggen op zichzelf niets, want wat wordt hier nu mee bedoeld? Ieder woord kent vele betekenissen en daarbij geeft ieder individu hier weer een individuele waarde aan.

Kunnen we dan met doelstellingen het goede leven bepalen? Kunnen we door het realiseren van doelstellingen een goed leven realiseren? Dit alternatief gooit Nietzsche overboord. Hij constateert in de gedaante van Zarathoestra dat er duizenden doeleinden zijn, maar dat de mensheid zelf nog steeds geen doel heeft. Een doel heeft dus niets met het goede leven te maken.

Misschien moet de filosofie bij het zoeken naar haar antwoord op het goede leven eens naar organisaties en instellingen kijken. Deze laatsten meten hun goede leven af aan de resultaten die ze boeken. Zij zoeken geen antwoord op de moeilijke vraag naar het goede, maar kiezen de weg van het kwantificeren en vergelijken. Hij die het beter doet is goed, en hij die het slechter doet is minder goed. En door zo alles te vertalen naar cijfers en waarden, blijft de echte waarde in het duister, maar dat is niet erg omdat we toch altijd streven naar beter. Maar waarom eigenlijk? En wat is beter?

* De stelling van de maand dient als discussiestuk en verkondigt waarheid noch persoonlijke mening van de auteur. In de stelling wordt gebruik gemaakt van het eclectisme. Dit is een door Jacomijn Hendrickx geïntroduceerde vorm van filosofie waarbij gesnoept kan worden van de ideeën van verschillende filosofen waarbij deze samen gevoegd kunnen worden op een wijze die de denker zelf bevalt waarin geen recht meer gedaan hoeft te worden aan de originele idee. Dit alles heeft tot doelstelling om het denken te scherpen, nieuwe perspectieven te creëren en discussies aan te zwengelen.

Augustus: Beheersing en chaos

De schijnbewegingen van ons denken ondermijnen vernieuwing.

Nieuwe dingen denken én nieuwe dingen doen, wie wil dat niet? Maar al gauw blijkt dat de combinatie tussen controle en vernieuwing geen vanzelfsprekende combinatie is. Controle en beheersing staan chaos en vernieuwing in de weg. Vaak wordt dit opgelost door onderzoek en ontwikkeling apart te institutionaliseren zodat ze, binnen een vastgesteld budget, vrij baan hebben. De aparte status maakt dat ze buiten de reguliere controle en beheersing vallen en daardoor de ruimte ontstaat voor chaos en vernieuwing. Je zou je natuurlijk kunnen afvragen of dit niet een zuivere vorm is van gecontroleerd nieuwe dingen creëren? Het is de beheersing van de chaos.

Maar hoe zit dat nu met orde en chaos, met controle en vernieuwing? Zijn dit werkelijk tegenpolen die elkaar tegenwerken? De dialectiek plaatst ze tegenover elkaar. Beheersing is voor het ene goed en chaos voor het andere. Door deze twee expliciet tegenover elkaar te plaatsen kan er per thema gezocht worden naar de waarheid: productie vraagt om beheersing en controle, vernieuwing om chaos.

De paradox - de schijnbare tegenstelling - zegt dat ze elkaar nodig hebben. Ze zijn niet aan elkaar tegengesteld maar ze vullen elkaar aan. De orde en beheersing tonen waar chaos heerst, en de chaos toont waar orde en beheersing heerst. Zonder orde geen chaos en zonder chaos geen orde. En in ons geval dan: zonder orde geen vernieuwing. Het nieuwe moet immers van de gevestigde orde afwijken en moet een nieuwe beheersbare situatie opleveren. De vernieuwing kan dan alleen plaatsvinden binnen de bestaande (beheerste) situatie.

Nishida zegt dat het verschillende perspectieven zijn op hetzelfde iets. In alles is orde, chaos, beheersing en vernieuwing te vinden. Dat wat je ziet is afhankelijk van de bril die je op zet. Beheersing en chaos hebben dus geen zelfstandige unieke relatie. De vraag die dan nog overblijft is of er relatie is tussen chaos en vernieuwing. Het unity-denken van Nishida lijkt in de andere richting te wijzen. Zodra er sprake is van chaos is het denken erop gericht om eenheid te creëren. Chaos veronderstelt strijdigheid en ons denken kan daar niet tegen, ons denken creëert eenheid. Vernieuwing vraagt om de mogelijkheid om strijdigheden tot eenheid te smeden. En dit is niet eenvoudig!

Nieuwe dingen denken en doen is dus vooral heel moeilijk. Niet omdat het we chaos nodig hebben om nieuwe dingen te denken of beheersing om dit te voorkomen, maar gewoon omdat we niet geneigd zijn dingen te veranderen wanneer we succesvol zijn - of beter: we niet ervaren dat we falen - (pragmatisme) en dat we onze eigen unity pas opgeven wanneer dat strikt noodzakelijk is. We negeren en ontkennen liever dan dat we moeten toegeven dat ons denken niet aansluit bij de situatie.
Onze discussie over beheersing en chaos is misschien wel zo’n schijnbeweging. Het eigen onvermogen past niet in onze unity en de niet-ideale omstandigheden zijn makkelijk in te passen. Zeker wanneer hier algemene instemming over bestaat.
Het is wel jammer dat deze schijnbeweging niet leidt tot vernieuwing (van het denken) maar juist tot structurering en controle van de setting, het vasthouden aan de bestaande situatie (eenheid).


* De stelling van de maand dient als discussiestuk en verkondigt waarheid noch persoonlijke mening van de auteur. In de stelling wordt gebruik gemaakt van het eclectisme. Dit is een door Jacomijn Hendrickx geïntroduceerde vorm van filosofie waarbij gesnoept kan worden van de ideeën van verschillende filosofen waarbij deze samen gevoegd kunnen worden op een wijze die de denker zelf bevalt waarin geen recht meer gedaan hoeft te worden aan de originele idee. Dit alles heeft tot doelstelling om het denken te scherpen, nieuwe perspectieven te creëren en discussies aan te zwengelen.

Juli: vakantie-dialectiek

Vakantie: de dialectiek in een notendop.

Bij de vakantie die voor de deur staat - en voor mij net achter de rug is - past een stelling van de maand die down to earth (kamperen) of zo u wil, nat (varen), dan wel hoog in de wolken (vliegen) is. Laten dan we maar op stap gaan, met de juiste kaart (vier centimeter staat voor een kilometer) en als we maar lang genoeg doorlopen dan komen we overal, zelfs in Santiago. Probleem van zo’n heerlijke wandelvakantie is de tijd. Want laten we wel wel wezen voor deze wandeling (‘s-Hertogenbosch naar Santiago), die al velen gemaakt hebben, hebben we toch wel minstens drie maanden nodig. En wie is die tijd gegeven op een leven van zo’n 74 jaar!? Met iedere stap die we zetten verdwijnt de wereld verder bij ons vandaan en komt de wereld dichterbij. Verdwijnt het heden en ontstaat het nu.

Wanneer we met dezelfde kaart in een vliegtuig stappen dan hebben we voor 20 minuten vliegen ongeveer twee en een halve meter kaart nodig. Waarbij bovendien sprake is van een overkill aan informatie. Dus voor we het vliegtuig instappen moeten we eerst even van kaart wisselen. En voor we weg vliegen moeten we onze security checks uitvoeren. Ik spreek hier niet over poortjes, flesjes en iris-scan, etc. maar over vering, oliepijl, remmen, kortom het vliegtuig zelf. Want laten we wel wezen: we gaan niet met de vliegbus, we vliegen zelf! Om te ervaren dat we vrij zijn, terwijl we ons aan duizenden regels moeten houden.

Om te overnachten bouwen we ons tentje op; een ruimte van nog geen 20 kubieke meter met een beetje groen er om heen. En om hiervan te genieten laten we de 400 kubieke meter van ons eigen huis (dat toch eigelijk net te klein is) zonder enig probleem ver achter ons. Binnen korte tijd hebben we nieuwe contacten gelegd met de buren en met de buren van de buren, en met de buren van de buren van de buren en de camping-soap (second life?!) kan beginnen.

We zullen dan ook nog maar even gaan varen. Een blik op Nederlandse plassen toont vooral open bootjes. Een blik op Franse plassen toont kajuitjachten en catamarans. En het oppervlak van de plassen is niet eens zo verschillend. Eenzelfde water, allemaal met zeil, maar zo’n andere beleving. Wat is nu het ware zeilen? Of moeten we daarvoor toch de wereldzeeën op?

Waar ligt nu het echte leven, in de natuur -het wandelen- of in de wetenschap -het vliegen-? Wat toont de ware wereld, onze wandeling of onze vliegreis? En welk model -kaart- past het beste bij de wereld? En wat is de ware tijd; die deadline van morgen of het honderdjarig bestaan? En welke contacten zijn waardevoller: de dagelijkse collega’s, de trouwe vrienden, hyves, of die gezellige mensen op de camping? En wat geeft vrijheid: de regels waar we ons aan moeten houden, of de mogelijkheid dat we onze eigen gang kunnen gaan?

In de strijdigheid kun je waarheid zoeken, maar of je haar daar kunt vinden?


* De stelling van de maand dient als discussiestuk en verkondigt waarheid noch persoonlijke mening van de auteur. In de stelling wordt gebruik gemaakt van het eclectisme. Dit is een door Jacomijn Hendrickx geïntroduceerde vorm van filosofie waarbij gesnoept kan worden van de ideeën van verschillende filosofen waarbij deze samen gevoegd kunnen worden op een wijze die de denker zelf bevalt waarin geen recht meer gedaan hoeft te worden aan de originele idee. Dit alles heeft tot doelstelling om het denken te scherpen, nieuwe perspectieven te creëren en discussies aan te zwengelen.

Juni: spreken en verantwoordelijkheid

We spreken om onze verantwoordelijkheden te beleggen, en dan idealiter buiten onszelf.

Onder de verschillende filosofen zijn er heel wat verschillende redenen of aanleidingen te vinden waarom we spreken. Schopenhauer wil ons er van overtuigen dat we alleen maar spreken om ons gelijk te halen. Uiteraard zullen we dit nooit - aldus Mandeville - al sprekend toegeven. Volgens hem is al ons spreken erop gericht om onze ware aard te verbergen en ons zo voor te doen zoals algemeen wenselijk wordt geacht. Onze ware aard laat zo te wensen over dat spreken en omgangsvormen noodzakelijk zijn. De zotheid - van Erasmus - vraagt zich
überhaupt af waarom mensen zich zo’n zorgen maken over het spreken. Hij - de zotheid - spreekt gewoon voor de vuist weg. Maar verwacht niet dat er iets zinnigs uit komt, althans volgens Spinoza, en dat geldt niet alleen voor de Zotheid maar voor mensen in het algemeen. Maar ja... wie spreekt ook al weer waarheid? Zijn dat niet de zotten en de kinderen? Of worden zij nu juist van waarheid spreken uitgesloten?

In het algemeen gaan we er vanuit dat we spreken omdat we iets willen bereiken. We willen gehoord worden, gelijk krijgen, onszelf profileren, en het gedrag van anderen be
ïnvloeden. De ultieme vorm van spreken die zich richt op het doen handelen van de ander is het bevel; een uitspraak zonder weerwoord waarin besloten ligt dat hij wordt uitgevoerd.
Wat maakt een bevel nu zo anders dan een overleg? Ok
é de urgentie! Maar dat verklaart niet waarom iemand niet in opstand komt tegen de inhoud. Ons denken gaat zo razend snel dat urgentie daarin geen rol speelt, hoogstens overrompeld zijn, maar dat is maar van korte duur. Bovendien verliezen bevelen ook in minder urgente situaties hun zeggenschap niet, mits er maar voldoende nadruk op ligt.

Laat ik eens even bij Habermas te rade gaan. Habermas bouwt de machtsvrije discours (gesprek) om daadwerkelijk goede oplossingen voor problemen vinden. Door niet de mensen binnen het overleg, maar de situatie en de argumenten de macht te geven, kan alles op zijn merites beoordeeld worden. Hierdoor kan er een echte probleemanalyse plaatsvinden en kunnen de werkende oplossingen de revue passeren. Binnen deze context moet waarlijk vrij gesproken kunnen worden los van ritueel, structuur, sociale, culturele of maatschappelijke hi
ërarchie, etc. In deze discours spreekt de wereld met zijn mogelijkheden en onmogelijkheden en niet de mensen als deelnemers van het gesprek met het resultaat een volledige overeenstemming.

Dit machtsvrije overleg en het bevel hebben
één wonderlijke gemeenschappelijkheid, namelijk de verantwoordelijkheid. In de bevelstructuur verdwijnt de hoofdelijke verantwoordelijkheid, vaak wordt er zelfs gehandeld volgens protocollen, dan wel heiligt het doel de middelen en waar gehakt wordt vallen spaanders. In de machtsvrije discours verdwijnt ook de verantwoordelijkheid. Wanneer iedereen verantwoordelijk is, is niemand dat meer persoonlijk. Sterker nog, de machtsvrije discussie legt de verantwoordelijkheid in de wereld zelf. Als de setting zus en zo is, dan kunnen wij niet anders dan zo en zo handelen. Handelen wordt/is een noodzakelijkheid.

Ook het spreken van Mandeville legt de verantwoordelijkheid buiten de spreker, hij spreekt immers conform de geldende normen.
Alleen Schopenhauer maakt het me hier nog even moeilijk. En omdat ik gelijk wil krijgen - aldus Schopenhauer - streep ik deze tekst dus even door. Dus... we spreken, en dan vooral om onze verantwoordelijkheid buiten onszelf te plaatsen.

* De stelling van de maand dient als discussiestuk en verkondigt waarheid noch persoonlijke mening van de auteur. In de stelling wordt gebruik gemaakt van het eclectisme. Dit is een door Jacomijn Hendrickx geïntroduceerde vorm van filosofie waarbij gesnoept kan worden van de ideeën van verschillende filosofen waarbij deze samen gevoegd kunnen worden op een wijze die de denker zelf bevalt waarin geen recht meer gedaan hoeft te worden aan de originele idee. Dit alles heeft tot doelstelling om het denken te scherpen, nieuwe perspectieven te creëren en discussies aan te zwengelen.

Mei: het onbekende

Alles wat je van het onbekende kunt weten is ongekend.

Op zich is dit niet zo’n wonderlijke stelling. Hier zal iedereen het al heel gauw mee eens zijn. Het onbekende is onbekend en daarmee valt er niets over te zeggen. En daarmee is alles over het onbekende gezegd.

Dat dacht je! Als ik zo om mij heen kijk dan zie ik mensen solliciteren op een baan die ze niet kennen én daarbij zeker weten dat ze deze baan goed kunnen uitvoeren. Ik zie mensen een ander beoordelen terwijl ze de persoon en zijn functioneren nauwelijks kennen. Wanneer je mensen vraagt wat een ander er van vindt dan weten ze dit vaak haarfijn te vertellen. Als ze dan gevraagd wordt “heb je dat aan de ander gevraagd?” dan is het antwoord meestal “nee?!”. En laat ik het dan maar helemaal niet over de toekomst hebben, wat daar al niet over gezegd wordt.
Het spreken van mensen toont dat er heel wat te vertellen en te weten valt over het onbekende.

Maar wie houdt nu wie voor de gek? Hou ik je - als lezer - voor de gek door de indruk te wekken dat iets bekends onbekend is? Houdt het onbekende je voor de gek doordat het wel allerlei herkenbare signalen af geeft? Of houd je jezelf voor de gek, doordat je je eigen verwachtingen als kennis over het onbekende aanneemt, waarmee het onbekende bekend wordt? Laten we nog even naar die sollicitant gaan kijken.
Ik houd je voor de gek: Een nieuwe baan is inhoudelijk helemaal niet onbekend, alleen maar een kleine variatie op een bekend thema.
Het onbekende houdt je voor de gek: De nieuwe baan is wel degelijk bij voorbaat te kennen omdat de omschrijving en de woorden duidelijk te kennen zijn en daarmee is de inhoud bekend.
Je houdt jezelf voor de gek: Op basis van verhalen en eerdere ervaringen heb je je een beeld gevormd van de baan, zoals je verwacht dat deze eruit ziet. En uiteraard past dit bij je en kun je het aan, anders zou je niet solliciteren.

Je zou kunnen zeggen dat de eerste variatie - waarin ik je voor de gek houd - getuigt van een beeld op de wereld waarin alles relatief is, waarbij sprake is van meer overeenkomsten dan verschillen en waarin mensen veel mogelijkheden hebben. Eigenlijk valt dan alles in de wereld wel te kennen als het maar te vergelijken is met iets wat al bekend is. Hoe meer je weet, hoe meer je kunt kennen.

De tweede variatie - het onbekende houdt je voor gek - is wat ingewikkelder. Wanneer iets gekend kan worden aan zijn omschrijving en in zijn tot uitdrukking komen in de wereld, dan veronderstel je dat iets kenmerken heeft die los staan van de menselijke waarneming én die daardoor voor iedereen hetzelfde zijn. Een omschrijving of verandering in de wereld is dan alleen te herleiden tot de actor - in deze het onbekende - en niet tot de ontvanger. Het onbekende kan gekend worden door te zien wat het in de wereld teweeg brengt. Voorbeeld: in het ondervinden van leiding leer je leiding geven kennen.

De derde variatie - je houdt jezelf voor de gek - staat bijna loodrecht op de voorgaande. Ligt in de voorgaande dat-wat-is in het onbekende zelf, in deze versie ligt dat-wat-is volledig in jezelf. Het persoonlijk betekenis geven - je eigen verwachtingen - verworden tot waarheid. Je beeld op de wereld is de ware wereld. En je persoonlijke indrukken vertellen dat-wat-is.

Nu stel ik in deze stelling dat je in alle gevallen mogelijk voor de gek gehouden wordt. Mijn punt is namelijk dat het onbekende gekenmerkt wordt door het feit dat het onbekend is. En iedere indruk dat het mogelijk bekend zou kunnen zijn, verleidt! Je verleidt dus jezelf of je laat je verleiden door bekende signalen. In beide gevallen verleid je jezelf. En laat ik zeggen: dat is niet gek, want niets is zo beangstigend als het onbekende - aldus Kierkegaard -, dus is niets rustgevender dan de indruk dat het bekend is.

* De stelling van de maand dient als discussiestuk en verkondigt waarheid noch persoonlijke mening van de auteur. In de stelling wordt gebruik gemaakt van het eclectisme. Dit is een door Jacomijn Hendrickx geïntroduceerde vorm van filosofie waarbij gesnoept kan worden van de ideeën van verschillende filosofen waarbij deze samen gevoegd kunnen worden op een wijze die de denker zelf bevalt waarin geen recht meer gedaan hoeft te worden aan de originele idee. Dit alles heeft tot doelstelling om het denken te scherpen, nieuwe perspectieven te creëren en discussies aan te zwengelen.

April: het redelijke beest

De redelijkheid toont onze onvolmaaktheid die noodzaakt tot bescheidenheid.

In deze maand van de filosofie gaan ook mijn gedachten uit naar het centrale thema: Het redelijke beest. Ik merk dat dit thema vooral veel herhalingen van zetten oplevert zonder tot iets nieuws te komen. En dat terwijl het thema ‘het redelijke beest’ een aantal boeiende vooronderstellingen heeft. Zo is er sprake van een of-of redenering: of mens of beest (dier) en niets daar tussen in. Ook veronderstelt het een oneindige zoektocht naar ons eigen onderscheidend vermogen. Wat mij ook doet verwonderen is de ‘strijdigheid’ tussen intelligent design en het darwinisme binnen dit thema. Het thema biedt dus - zoals het in de filosofie behoort - vele perspectieven en mogelijkheden tot discussie.

De zoektocht naar het onderscheid tussen mens en dier is voornamelijk een of-of redenering. Een levend wezen is of mens of dier (planten even buiten beschouwing gelaten). De overgang of scheiding moet dan abrupt en absoluut zijn. Er is geen plaats voor tussenvormen, tenzij we hier een nieuw woord voor verzinnen. Kennelijk beschikt een mens over een kenmerk of eigenschap die iedere andere levensvorm ontbeert. Mocht dit niet zo zijn dan is die scheiding niet aan te brengen.

Het lijkt erop dat we ons zelf graag willen onderscheiden van alle overige bestaansvormen op deze aarde. Ik vraag me dan af, waartoe willen we ons onderscheiden. Willen we met dit onderscheidend vermogen verantwoorden dat we meer zijn dan overige bestaansvormen, of dat we op andere wijze met elkaar dan met andere bestaansvormen moeten omgaan?
En wat is de rol van de rationaliteit in dit willen onderscheiden? Waarom willen we ons onderscheiden op het gebied van de ratio en bijvoorbeeld niet op het gebied van duurzame liefde, die niet alleen maar gebonden is aan voortplanting?

En dan nu de contradictie intermines: Volgens intelligent design is de mens duidelijk te onderscheiden van het dier. Ze is immers geschapen naar het evenbeeld van god. En hiermee krijgt zij beschikkingsrecht over de rest van de schepping.
Volgens de evolutieleer is de mens niets anders dan een specifieke vorm van overleven. Een levensvorm met specifieke eigenschappen, zoals iedere andere vorm van leven. Hiermee is de mens volledig gelijk(waardig) aan de rest van de schepping. Is de vraag naar het redelijk beest, dan niet een vraag naar intelligent design binnen een evolutietheorie?

Even terug naar de rationaliteit. Algemeen wordt gesteld dat we ons onderscheiden van dieren door deze rationaliteit. Deze rationaliteit betitelen we graag als iets groots. Vervolgens blijkt dat maar weinigen van ons in staat zijn om op basis van rationaliteit te handelen. Een kleine verstoring in onze emotie en heel de rationaliteit is ten gronde gericht. En wanneer je iemand op basis van rationaliteit wilt overtuigen, dan blijkt dat toch niet zo eenvoudig en werken niet-rationele aspecten vaak veel overtuigender. De volmaaktheid van de rationaliteit blijkt in de praktijk weinig volmaakt te functioneren.

Kennelijk beschikken wij over een kwaliteit die zo onvolmaakt is dat we misschien wel mogen concluderen dat we inderdaad afwijken van iedere andere bestaansvorm op deze aardbol. Deze afwijking is echter niet zodanig dat we méér zijn, of beter zijn. Alle andere bestaansvormen ontberen zo’n onvolmaakte kwaliteit. Misschien doen we er goed aan Shinto (of enige andere natuurgodsdienst) tot algemene godsdienst te verheffen zodat we al het volmaakte in de natuur vereren en als voorbeeld stellen voor ons eigen onvolmaakte gedrag.

* De stelling van de maand dient als discussiestuk en verkondigt waarheid noch persoonlijke mening van de auteur. In de stelling wordt gebruik gemaakt van het eclectisme. Dit is een door Jacomijn Hendrickx geïntroduceerde vorm van filosofie waarbij gesnoept kan worden van de ideeën van verschillende filosofen waarbij deze samen gevoegd kunnen worden op een wijze die de denker zelf bevalt waarin geen recht meer gedaan hoeft te worden aan de originele idee. Dit alles heeft tot doelstelling om het denken te scherpen, nieuwe perspectieven te creëren en discussies aan te zwengelen.

Maart: de verbeelding van de maakbaarheid

De verbeelding van de maakbaarheid geeft een eindige verantwoordelijkheid.

Het is en blijft moeilijk om de grens aan te geven tussen maakbaarheid en lijdzaamheid. In hoeverre kunnen we de wereld maken of in hoeverre maakt de wereld ons? Kunnen we de wereld maken of denken we dit alleen maar?

Bacon’s maakbare wereld veronderstelt passende instrumenten, die situationeel bepaald zijn. Daarbij is de fysieke wereld (waaronder planten en dieren) nog wel maakbaar, maar de mens is alleen maar door gewoonten te vormen tot specifiek gedrag. De aard van het beestje blijft het zelfde. Als je dan al de wereld wilt maken, dan moet je ook de aard van de betrokken personen laten meewegen en de mens als variabele beschouwen (desnoods andere mensen inzetten met een andere aard).

Spinoza verwijst de maakbaarheid al helemaal naar het rijk der fabelen of beter naar onze eigen verbeelding. Alles is noodzakelijk; we handelen noodzakelijk en we lijden noodzakelijk. We kunnen wel bedenken dat we iets maken. Als we al iets maken dan is het noodzakelijk en hadden we geen andere keus. De indruk van bewust invloed kunnen uitoefenen is verbeelding en ontstaat doordat we de oorzaken niet begrijpen. Of plat gezegd: we zijn gewoon eenvoudig van geest.

Locke vertrouwt ook niet zo op een maakbare wereld, wel op de maakbare mens. Misschien vraagt dit veel oefening en geduld, maar het is wel mogelijk. Dat de wereld ook zijn eigen leven leidt, doet Locke anticiperen. Je kunt als mens vrij handelen en je wereld maken, maar je kunt de wereld niet naar je hand zetten, dus moet je zorgen voor morgen.

Dewey ziet wel wat in die maakbare wereld. Zijn pragmatisme leert dat wanneer je niet de gewenste resultaten hebt, je eenvoudigweg niet op de juiste manier gehandeld hebt. En moet je het gewoon nog een keer proberen. Uiteraard moet je dan wel andere dingen doen. Want hetzelfde doen en hopen dat er iets anders uitkomt is wel erg dom.

Wanneer we dus de mens van Locke nemen, de wereld van Dewey en bovendien gebruik maken van passende instrumenten, dan is de onze wereld zo maakbaar als ik weet niet wat. We moeten dan wel ophouden met denken, want het denken leert dat we deze maakbaarheid slechts verbeelden. En wanneer we gaan nadenken hoe onze wereld eruit moet zien, dan kunnen we alleen maar concluderen dat we ons prachtige dingen kunnen verbeelden en verder noodzakelijk leiden en noodzakelijk lijden en heel soms noodzakelijk handelen.

Het andere probleem van de prachtige maakbaarheid ontstaat door de immense verantwoordelijkheid die ermee gepaard gaat. Wanneer je kunt maken wat je wilt, wie bepaalt dan wat we maken? En wat als we het er niet over eens zijn wat er gemaakt moet worden? En wie bepaalt wat goed is? Het is heerlijk dat we iets kunnen maken, of althans denken dat we dat kunnen. En gelukkig kunnen we niet de hele wereld naar onze hand zetten. De ethische consequenties zijn niet te overzien.


* De stelling van de maand dient als discussiestuk en verkondigt waarheid noch persoonlijke mening van de auteur. In de stelling wordt gebruik gemaakt van het eclectisme. Dit is een door Jacomijn Hendrickx geïntroduceerde vorm van filosofie waarbij gesnoept kan worden van de ideeën van verschillende filosofen waarbij deze samen gevoegd kunnen worden op een wijze die de denker zelf bevalt waarin geen recht meer gedaan hoeft te worden aan de originele idee. Dit alles heeft tot doelstelling om het denken te scherpen, nieuwe perspectieven te creëren en discussies aan te zwengelen.

Februari: de macht van het woord

De macht van het woord is maar schijn, het is de spreker die zijn invloed doet gelden.

Aristoteles schrijft in zijn Retorica over de macht van het woord. Wanneer je in staat bent om het overtuigend bewijsmateriaal te vinden, dan krijgt het woord de macht door te overtuigen waardoor mensen in eensgezindheid gaan handelen. Habermas doet hetzelfde. In zijn machtsvrije discussie verdwijnt de macht bij de deelnemers. In plaats daarvan komt de macht te liggen bij de overeenstemming en bij het overtuigende argument. Foucault laat in zijn Orde van het spreken zelfs haarfijn zien dat het woord nooit los staat van de spreker. Ook Aristoteles beaamt dit. Overigens doen ze dit beide op andere wijze.

In de
Orde van het spreken constateert Foucault dat mensen een beperkt recht tot spreken hebben. De functie, de leeftijd, de opleiding, etc. van de spreker, maken dat de uitspraak serieus genomen wordt dan wel wordt betiteld als onzin of als morosofie. Kortom de bekleding, de papieren en de context maken of iemand waarheid spreekt of niet. En dus of het woord macht krijgt.

Aristoteles spreekt liever over het karakter (ethos) van de spreker. Een spreker moet, om te kunnen overtuigen, betrouwbaar en geloofwaardig zijn (of schijnen). Dit karakter van de spreker wordt overigens mede gevormd door de toehoorders. Door de toehoorders te ‘analyseren’ wordt een bijdrage geleverd aan het vormen van overtuigend bewijsmateriaal; het karakter van de spreker moet aansluiten bij het karakter van de groep. De spreker van Foucault is altijd dezelfde, willen zijn woorden macht krijgen. De spreker van Aristoteles moet een kameleon zijn (maar dan niet zichtbaar, want dat schaadt de betrouwbaarheid).

De psychologie (oh jé, dit is wel een heel raar uitstapje) geeft het woord nog een andere macht (of is het de spreker die macht krijgt?). Zij neemt waar dat nieuwe ideeën in een groep voet aan de grond krijgen als de spreker maar volhardend is. Als je bewust, consistent en vastberaden je eigen mening verkondigt, dan wordt je vanzelf gehoord en geloofd. Dit staat wel haaks op de morosofie, deze toont namelijk een onverwoestbaar vertrouwen in een (absurde) theorie die toch door niemand wordt gedeeld. En vaak bezitten deze morosofen ook nog een academische titel. Universiteiten brengen dus kennelijk alle bekwaamheden tot ontplooiing, waaronder de domheid. Waar blijft Foucault nu met zijn functie en papieren?

Aristoteles begrijpt dat wel! Wetenschappelijke betogen dienen alleen maar onderwijs en zij dienen niet een overtuigend argument. De wetenschap wordt immers alleen maar door de insiders begrepen en niet door de ‘onbekwamen’ die overtuigd moeten worden. De morosoof zal dus nooit overtuigen. Toch wel wonderlijk dat de politiek vaak een wetenschappelijk onderzoek als onderbouwing van een betoog gebruikt. Hier lijkt het woord dan toch wel macht te hebben. Of is dit gemakzucht van de toehoorder: de toehoorder kan het nooit begrijpen dan wel controleren en dus geeft de spreker de macht (of niet) en vertrouwt hij erop dat het wel goed zal zijn (of niet). De wetenschappelijke onderbouwing voegt voor de spreker niets toe. Uiteindelijk maakt ook dan de spreker het verschil.

En hoe zit dat nu met deze woorden, geef je de woorden macht of geef je de schrijver macht, of is het je om het even? En hoe zit het met je eigen woorden en je eigen macht? Hebben jouw woorden macht?


* De stelling van de maand dient als discussiestuk en verkondigt waarheid noch persoonlijke mening van de auteur. In de stelling wordt gebruik gemaakt van het eclectisme. Dit is een door Jacomijn Hendrickx geïntroduceerde vorm van filosofie waarbij gesnoept kan worden van de ideeën van verschillende filosofen waarbij deze samen gevoegd kunnen worden op een wijze die de denker zelf bevalt waarin geen recht meer gedaan hoeft te worden aan de originele idee. Dit alles heeft tot doelstelling om het denken te scherpen, nieuwe perspectieven te creëren en discussies aan te zwengelen.

Januari: kwaliteit en perspectief

Kwaliteit rust op het andere perspectief.

Kwaliteit wordt vaak geborgd door te kwantificeren; foutenmarge, aantallen per tijdseenheid, omzet, aantal klanten of leden, etc. Door vele waarden bij elkaar op te tellen wordt geconstateerd dat de kwaliteit goed is. Hiermee wordt kwantiteit een afgeleide van kwaliteit. Iets wat Nishida zeker zal beamen. Spinoza ook. Voor Spinoza geldt in zekere zin ook het omgekeerde, kwaliteit is een afgeleide van kwantiteit. Voor Nishida geldt dit zeker niet.

Spinoza concludeert dat alles is opgebouwd uit elementaire bouwstenen. Door het kennen van de elementaire bouwstenen en deze bij elkaar op te tellen ontstaat het geheel. Hierbij is het geheel niet meer, maar ook niet minder dan de som der delen. Wanneer meerdere identieke elementaire delen bij elkaar komen, dan is er wel sprake van synergie en is het geheel wel degelijk meer dan de som der delen:
) + : + O = :-( of :-).

Voor Nishida is het echter uitgesloten dat kwaliteit een afgeleide is van kwantiteit. Zowel kwaliteit als kwantiteit zijn constructies van het denken. De mens heeft deze waarden zelf gecreëerd, terwijl ze in de werkelijkheid niet bestaan. Hiermee ligt het heel dicht bij het intuïtief juiste. Kwaliteit verwijst dan naar de gebeurtenis dat iets in overeenstemming is met een persoonlijke unity (of eenheid). Kwantiteiten bieden ons de mogelijkheid om de persoonlijke eenheid te benoemen en daarmee hierover met anderen te communiceren. Het is echter niet mogelijk om dit om te draaien. Door het definiëren van kwantiteiten ontstaat niet automatisch kwaliteit. Dit kan niet omdat de kwaliteit past binnen de persoonlijke (en niet volledig gedeelde) unity of eenheid. Dit is een buitengewoon persoonlijke aangelegenheid. Dit persoonlijke is dagelijks herkenbaar in de persoonlijke waardering door mensen.

Ook Bacon maakt dit onderscheid. Hij beschrijft de zuivere methode, hoe tot iets - een resultaat - te komen, en pas daarna ontstaat het oordeel. Het goede, of dat wat goed is voor de mensheid in het algemeen, is algemeen geldend. Het oordeel of het goed is voor een - individuele - mens kan pas bepaald worden wanneer het geheel - het resultaat - aanschouwd kan worden.

Kwaliteit heeft dus een algemeen geldende en een persoonlijke factor. Hier kun je dan toch geen pijl op trekken?! Wat past bij de eenheid van de één hoeft helemaal niet te passen bij de eenheid van de ander. Sterker nog dit kan zelfs conflicteren. Erasmus voelde als geen ander aan dat consensus hierbij een belangrijke rol speelt. Vervelende bijwerkingen zijn nooit uit te sluiten. Voor hem is dan de zuivere intentie wel weer heel belangrijk. Maar ja, intenties en goede bedoelingen leveren nog niet een ‘meetbaar’ resultaat.

Toch maar terug naar Bacon en Nishida. Bacon veronderstelt een algemeen geldende waarheid en een algemeen geldende moraal. Ook kwaliteit moet dus een algemeen geldende waarde kennen. Nishida concludeert dat deze algemeen-geldigheid een hoge persoonlijke factor heeft, passend binnen de persoonlijke unity (of eenheid). Hierin zijn universele en culturele zaken herkenbaar, en een heleboel persoonlijke factoren - het persoonlijke perspectief op mens en wereld, gevormd door de persoonlijke ervaring en geschiedenis. Wanneer we dus in staat zijn om de unity van de ander te leren kennen, dan kunnen we ook herkennen wanneer er sprake is van kwaliteit. Kwaliteit voor de één is niet persé kwaliteit voor een ander. Maar als ik kwaliteit wil leveren, dan is het toch in eerste instantie belangrijk dat de ander mijn werk als kwaliteit betitelt. Alleen door me te verdiepen in de unity van de ander, kan ik inzicht krijgen in de kwaliteit die ik wil en moet leveren. Het perspectief van de ander biedt de gelegenheid tot het leveren van kwaliteit.


* De stelling van de maand dient als discussiestuk en verkondigt waarheid noch persoonlijke mening van de auteur. In de stelling wordt gebruik gemaakt van het eclectisme. Dit is een door Jacomijn Hendrickx geïntroduceerde vorm van filosofie waarbij gesnoept kan worden van de ideeën van verschillende filosofen waarbij deze samen gevoegd kunnen worden op een wijze die de denker zelf bevalt waarin geen recht meer gedaan hoeft te worden aan de originele idee. Dit alles heeft tot doelstelling om het denken te scherpen, nieuwe perspectieven te creëren en discussies aan te zwengelen.

We plaatsen cookies, zo min mogelijk en altijd anoniem.